Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
elkander een merkwaardig gezelschapje uitmaken. Wij betwij-
felen echter, of het lang een vreedzame bijeenkomst zou mogen
heeten.
De grootste uit den troep zou misschien, als men hem met
rust liet, de anderen niet moeien. De plompe rhinoceros, met
zijn hoorn op den neus, houdt niet erg van gezelligheid; zoo-
wel het bijzijn van menschen als van dieren, ook van zijns ge-
lijken, ontwijkt hij en zwerft eenzaam rond door onbewoonde
streken tot aan de bergtoppen toe. Wordt hij evenwel door
jagers in het nauw gebracht, dan is hij in zijn woede soms ge-
vaarlijk. Zijn dikke, met plooien doorgroefde huid maakt het
moeielijk, hem met een kogel op ééns doodelijk te treffen; al-
leen een ervaren schutter kan dat doen. Hij klimt graag tegen
de bergen op, omdat in de hoogere streken het gras, zijn
hoofdvoedsel, malscher is; door dat klimmen ontstaan dan de
paden, die we vroeger bij den berg Slamat reeds leerden ken-
nen. Zijn buik rekt zich dan langs den grond, en de inlanders
maken daarvan gebruik, door er messen vast te zetten, die het
dier wonden en tot een gemakkelijken buit maken. Want, daar
de rhinoceros veel schade doet aan koffie- en theetuinen, is
op de vangst een premie gesteld. Ook heeft de hoorn waarde;
de lieden verbeelden zich, dat zij, door er een stukje van in den
zak te dragen, beveiligd zijn tegen de gevolgen van slangenbe-
ten en andere onheilen, terwijl bij de Chineezen en de Arabieren
het geloof heerscht, dat zij met een beker of meshecht, uit dien
hoorn gemaakt, de aanwezigheid van vergif in spijzen of dran-
ken kunnen ontdekken.
Woester dan de rhinoceros en niet veel kleiner, is de banting
of wilde buffel: een prachtig dier, slank en lenig van lichaams-
bouw, met glanzige, donkerbruine of zwarte haren, die om den
hals langer zijn en daar, als het dier toornig is, zich uitsprei-
den, waardoor hij een schrikwekkend voorkomen krijgt. Een
jacht op bantings is dan ook lang niet zonder gevaren, en ver-
eischt kracht, vlugheid, moed en bedaardheid; want wee het
paard en wee den jager, als de in woede ontstoken buffel met
gevelde hoorns komt aangerend, en alles tracht omver te stoo-
ten, wat hem in den weg komt. Een zeer geliefd, maar ook
zeer wreedaardig vermaak van de inlandsche grooten is een ge-