Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
honderd soldaten, duizend paarden en een duizend paarden. Daze
onderscheiding bestaat bij millioen, billioen enz. niet, daar deze
steeds beschouwd worden als zelfstandige naamw. van het onzijdig
geslacht, en in het enkelvoud niet anders kunnen voorkomen dan
voorafgegaan door een of ander bepalend woord. In: Hij bezit een
millioen, blijft het zelfst. n. gulden achterwege 1).
65. Hel werkwoord stelt eeue werking yoov als eene wer-
king. Het drukt óf eene eigenlijke wei kiiig uil, óf iets dat
slechts als eene werking gedacht wordt; b. v.: leggen, slee-
pen, schrijoen, geven; liggen, slapen, blijven, leven.
De zelfstandige naamw. loop, val, slag, gebabbel, geloop, gedans
enz., stellen werkingen voor als zelfstandigheden. Van d^ze is bij
de werkwoorden geen sprake.
66. Eene werking is niet denkbaar zonder een of meer
werkers: personen of dingen, die werken. De verschillende
vormen, die het werkwoord aanneemt, omhel verband uit
te drukken, dat er beslaat tusschen den werker en de wer-
king, heeten de personen van het werkwoord.
Bij het denken gaat men van twee tijdpunten uit: bf van het tegen-
woordige, bf van het verleden',. In het eerste geval beschouwt men
alles, zooals het sieh liet aanzien op het oogenblik dat men denkt;
in het andere, zooals het zich liet aauzien op het tijdstip, waarin
men zich met zijne gedachten terugplaatst. Dit laatste heeft plaats
bij het verhalen van gebeurde dingen. De werkwoorden drukken
dit on Icrscheid in de beschouwing der werkingen door hun vorm
uit: Hij valt en breekt zijn been-, Hij viel en brak zijn been,
Eeae werking is, ten ü^nzien vsLuheiiegenwoordige en verledene,
bf gelijktijdig, bf toekomstig. De vormen van het werkwoord duiden
die verschillende betrekkingen aan: Hij belooft (gelijktijdig ten
aanzien van het tegenwoordige tijdstip), dat hij het doen zal
1) In: Zij is een ton ol een tonnetje rijk, laat men na to« het zelfst.
naamw. gouds of schats weg.