Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
in de ark 1); het is bij vijven; het was bij zessen; honderden
menschen; duizenden engelen; hij wierp de twee tweeën; hij
is van zessen klaar; de overzetting der Zeventigen', zij kocht
bij den kaarsenmaker een pond acA/enS); hij vouwde het in
vieren; ik geef het u in negenen te doen; alle goede dingen
bestaan uit drieën; enz.
Men zegt natuurlijk; Het is bij eene,
62, Er is onderscheid tusschen: zijn éêne paard en een zijner
paarden; zijne twee paarden en twee zijner paarden; enz,
Z}j gaan twee en twee bet. zij gaan bij tweeëu; zij gaan twee
aan twee bet. zij gaan bij vieren. Deze onderscheiding wordt niet
altijd in achtgenomen; bijv.: Hen vierhoek, waarvan de zijden twee
aan twee evenwijdig loopen, noemt men een parallelogram; In het
bagno zijn de boeven twee aan twee aaneengeketend;
Den rug gekromd en 't hoofd gedoken.
Verstrooiden zij zich paar aau paar.
Terwijl ze fiuistren tot elkaar:
»Nooit heeft een mensch alzoo gesproken."
Tollens. De overspelige Vrouw.
En, het oudste en beste, wordt meer en meer door verdron-
gen: En van alle vleeseh, daar een geest des levens in was, kwamen
der (er) twee en twee tot Noach in de arke. Gen. Vil: 15.' En Hij
riep tot zich de twaalven en begon hen uit te zenden twee en twee»
Mare, VI: 7.
63, De andere beteekent de tweede. Nog zegt men ten andere
voor ten tweede, andermaal voor ten tweeden male, anderendaagsch
voor wat om den anderen (d, i. om den tweeden) plaatsheeft en
schrijft men anderhalf voor tweedehal f, dat is: het eene geheel en
hei andere geheel half. Zoo ook schrijft men derdehalf enz.
1) Vroep^er schreef men: Noach z'^n achtster voor Noaeh met zijn achten,
2) In deze beteekenis heeft het telwoord zelfs een enkelvoud en komt
het voor als verkleinwoord: Geef mij eene zes voor den handelaar en een
ze-Hientje voor de lantaren.