Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
Verbuiging van die, welke, dat en hetwelk.
Enkelvoud. Meervoud.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
:Die, welke. 1.Die, welke. 1, Dat,hetwelk. 1.Die, welke.
J Wiens, welks. 2. Wier, welker. 2. Welks. 2. Wier, welker.
ÏWien, welken. 3..Die, welke. 3. Dat,hetwelk. 3. Wien, welken.
IDien, welken. Die, welke. 4. Dat, hetwelk. 4. Die, welke.
Na voorzetsels gebruikt men niet Axen of die, maur wien
wie; b. v.- £e man, met wien gij spreekt; De menschen,
i wie ik verkeer.
58. De samengekoppelde bijwoorden ibmraf, ivaarvan,
mrmede, waardoor, waarin, waaruit, waarop, waartoe enz.
)men niet zelden in de plaats der betrekkelijke voor-
lamw.; b. v.: Dit is het paard, waarmede {mei helwelk)ik
komen ben; DU is het woord, waarop (op hetwelk) wij ver-
ouwen, of: Dit is het woord, waar wij op vertrouwen, of,
"Jjor de welluidendheid, daar wij op vertrouwen.
Er is onderscheid in beteekenis tu^chen: Waarom lacht ffij ? en
•''aar lacht gij om?
Wie en wat sluiten niet zelden zoowel het aanwijzend als het
trekkelijk voorn, in zich, b. v.: Het tijden is voor het leven,
t de regen is voor den akker; d. i.: Hel lijden is voor helleven
dat de regen is voor den akker. Zoo ook: De achting is voor
l! vriendschap, wat de tak is voor de iloem, door welke zij gedra-
wordt; Zij bleten niet, wie ze waren, d. i.: Ze bleven niet die,
e 'ze waren.
59. De telwoorden geven de hoeveelheid of de rangorde
er zelfstandigheden te kennen. Zij worden verdeeld in
oofd- of grondgetallen, en ranggetallen. De eerste geven
e kennen, //om^Z voorwerpen van dezelfde soort er worden
;enomen; de laatste, het hoeveelste voorwerp in zijne soort
)edoeld wordt.