Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
met allen) had vroeger de beteekenis van gamch en al, geheelen
Niet (d. i. niets) met al h^i^^ktn^Q gan&ch niets, gehed
'is. Zoo bad men ook al met allen ^bX alles te zamen beteekende.
En f allen kant verneemt men niet dan vroolijk zingen;
En C üllen kant ontwaart men niet dan lustig springen,
J. van Beers. Martha.
Het onbepaald telwoord iegelijk wordt altijd door het ontep.
orn. een voorafgegaan.
De onbepaalde voorn, vertegenwoordigen ajlc den 3en persoon,
zijn alle zelfstandig.
A.lleen zeker zou men soms als een bijvoeglijk onbep. voorn, kun-
besehouweu, b, v.: Zeker vader had tweezonen, waarvoor men
£ leest: Een zeker vader had twee zonen en Een vader had twee zonen.
Men kau alleen als onderwerp (le. naamval) voorkomen. Uit-
ikkingcn als: Men wordt verzocht, hier niet te roo^^» verdienen
afkeuring.
56. De vragende Yoornaamw, vragen naar personen of za-
n, of naar bijzonderheden van personen of zaken. Zij zijn:
ï, welke, wat, hoedanig, en de woordverbinding/m/uoor
B. v.: Wie is daar? — Wat is er gebeurd? — Wat
ir een man is dat? — Wat voor man is hij? — Wat is
t voor eene vrouw? — Welke vorst zal dat doen? — Welk
vorst is hij!
Verbuiging van wie, welke en wat.
Enkelvoud.
M^annelijk,
AVie.
Wiens.
Wien.
Wien.
Vrouwelijk.
1. Wie.
2. Wier.
3. Wie.
4. Wie.
Onzijdig,
1. Wat.
2. Wes.
3.
4. Wat.
Mv. voor de 3 ges!.
1. Wie.
2. Wier.
3. Wien.
4. Wie.
Welke, welk. 1, Welke.
1. VYelk. 1. Welke.
2 2
Welken. 3. Welke. 3.' Welken, welk. 3. Welken.
Welken. 4. Welke. 4. Welk. 4. WeJke.