Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
degene, hstgene; diegene, datgene; dezelfde, hetzelfde 1); zulk;
zoodanig, dusdanig, dergelijk; zulks.
Beze wordt gebruikt voor voorwerpen, die nabij zijnj
die en gene voor die, welke veraf zijn. Deze eiigene, zelU
standig gebruikt, worden in 't meervoud dezen en genetu
. Zulk kan alleen in 't meerv. zelfstandig gebruikt worden, ini
welk geval het met het lidwoord vau bepaaldheid verbonden wordt:
dezulken.
Verbuiging der aanw. voorn, die, deze en gene.
Enkelvoud, Meeevood.
Mann. Vrouw. Onzijdig.
1. Die. l.Die. 1. Dat. l.ï)ie.
2. Diens (dies, des). 2.Dier (der). 2.' Diens(die?,des). 2. Dier (der, er).l,
3. Dien. 3. Dier, die. 3. Dien, dat. 3. Dien.
4. Dien. 4. Die. 4. Dat. 4. Die.
1. Deze. 1. Deze. 1. Dit. 1. Deze.
2. Dezes. 2. Dezer. 2. Dezes. 2. Dezer.
3. Dezen. 3. Dezer, deze, 3. Dezen, dit. 3. Dezen.
4. Dezen. 4. Deze. 4. Dit. 4. Deze.
1. Gene, 1. Gene. 1, Gene.
2. Genes. 2. Gener, 2. Gener,
3. Genen. 3. Gener, gene. 3. Genen,
4. Genen. 4. Gene. 4. Gene.
Beze en gene hebben in eene rede niet zelden de beteekenis van
eerstgenoemde en laatstgenoemde-, b. v.: Maukits en Eredekik
Hendrik hebben zich grooten roem verworven: deze (de laatstge-
noemde) als stedendwinger, gene (de eerstgenoemde) als veldheer,\
In sommige streken zegt men nog: de deze, de die, als het voorn,
zelfstandig gebiniikt wordt; b. v.: Ik spreek var. dien man en gij
van {den) dezen. In de schrijftaal wordt nu het lidw. verworpen 2).
1) Men schrijft dezelfde, hetzelfde, temelfden tijde, terzelfder tijd
enz.; doch deze zelfde, dat zelfde, die zelfde, een zelfde enz.
2) Nog leest men in sommige nieuwe drukken der H. S. II Cor. 2
VS. 13 en 16 aldus: Want^ zij zijn Oode een goede reuk vau Christus