Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
Van 's Werelds éérst ontstaan »»-
Die wereldën orarft»gen
Des Alregeerders troon,
't Is vol op d' oever. Vrouwen dragen
tin kin'dren zenlen, eïk zijn vracht.
Tollens. De Visscherstceeuw.
Wanneer het geslacht van het zelfst. naamw. niet overeenkomt
iet het natuurlijk geslacht van den persoon dien het aanwijst,
cht zich het bezittelijk voorn, zoowel als het persoonlijk voorn,
aar het laatste: Dat onmensch heeft zijne vrouw mishandeld. Hij
xl zijne sttaf niet ontgaan; Dat heerschap heeft zijne geldbeurs ver-
eren; Dat wijf laat hare kinderen gebrek liften.
51. Verbuiging van het bez. voorn., zelfst. gebruikt.
Mannelijk.
De zijne.
Des zijnen.
Den zijnen.
Den zijnen.
Ekkelvodd.
Vrouwelijk.
1. De zijne.
2. Der zijne.
3. Der zijne, de zijne.
4 De zijne.
Onzijdig.
1. Het zijne.
2. Des zijnen.
3. Het zijne.
4 jHet zijne.
Meervoud van alle drie de geslachten,
1. De zijne.
2. Der zijne.
3. Den zijnen.
4. De zijne.
De mijnet, de zijnen, de uwen enz. beteekent mijne huisgenooten,
■ijne betrekkingen, uwe lieden enz.
32. De VöoiPhÉiamwoórden gévén te kennen
lif de "voorwerpen zich al dan niet in de nabijheid van den
Spféker bevinden. Zij zijn: die, dat; deze, dit; gene; —