Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
77
van den eersten persoon zijn: myn(enk.), o»is(meerv.); die
van den tweeden persoon: dijn (enk.), uw (meerv.); die van
den derdon persoon: zijn, haar of heur (enk.), en hun,
haar (meerv.).
De bezittelijke voorn, zijn ontstaan uit den 2den naamval der
persoonlijke voorn. Ze zijn alle bijvoeglijk.
In plaats van Aare, de hare zegt men in sommige streken steeds
heure, de heure. — Dijn is verouderd, en komt alleen nog voor in
de uitdrukking: het mijn en het dijn. Bij Zuidnederlandsche dich-
ters echter treft men het niet zelden aan (zie bladz. 72). In
't meerv. gebruikt men hunlieder, ulieder.
Men ziet zoowel schrijven: De moeders beminnen hunne kinders,
als: De moeders beminnen hare kinders: het laatste verdient verre-
weg de voorkeur. De Zuidnederlandsche taalleeraars echter ver-
werpen het vrouw, meerv. hare, dat in dc spreektaal zelden of
nooit gehoord wordt , geheel.
Verbuiging van het bezittelijk voornaamwoord.
Ekkelvocd.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Mijn broeder. 1. Mijne zuster. 1. Mijn nichtje.
2. Mijns broeders. 2. Mijner zuster. 2. Mijns nichtjes.
3. Mijnen broeder, mijn br. 3. Mijner zuster, mijne z. 3. Mijn nichtje.
4. Mijnen broeder, mijn br. 4. Mijne zuster. 4. Mijn nichtje.
Meervoud.
]. Mijne broeders, zusters, nichtjes.
2. Mijner broeders, zusters, nichtjes.
3. Mijnen broeders, zusters, nichtjes.
4. Mijne broeders, zusters, nichtjes.
Meer ea meer wint het gebruik veld om mijnen, hunnen enz. te
verkorten tot mijn, hun; als:/i zie mijn vader, hun broeder, .haar
neef; Hij geeft zijn ouders en onderwijzers veel genoegen, enz. De
verkorting van het enkelvoudige mjne, zijne, uwe, hare enz. tot
mijn, zijn, uw, haar verdient geene aanbeveling.
Men schrijft mijns vaders vriend, uws broeders kind, of: mjn