Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
72
Meervoud,
Eerste persoon. Tweede persoon.
1. Wij, we. 1, Gij, ge.
2. Onzer, ons. 2. Uwer, nws.
3. Ons. 3. U.
4. Ons. 4. U.
Derde persoon.
1. Zij, ze. 1. Zij, ze. 1. Zij, ze.
2. Hunner, huns. 2. Harer, haars. 2,
3. Hun, ze. 3. Haar. 3.
4. Hen, ze. 4. Haar, ze. 4. Ze.
. In plaats van de ontbrekende naamvallen van hei gebruikt men
die van hij, of de samengekoppelde bijwoorden daarvan en daaraan,
waarvoor men ook er van en er aan schrijft; b. v.: Denkt gij -xan het
kind? — Ja, ik denk daaraan of er aan; of ook: Ik d^enk aan
hetzelve.
Het voornaamwoord van den 2den persoon enkelvoud is ver-
ouderd. In sommige provinciën leelt liet nog in de spreektaal
voort. Men hoort nog in het versje:
Heden mij,
Morgen dij.
Vooral bij Zuidnederlandsche dichters komt du nog vaak voor:
^Liefste duifken I" zei de jongling,
rWaarom zits du hier zoj treurig.
En zoo verre van dijn gaaiken.
En zoo verre van dijn nestken?
Heeft wellicht een wreede jager
Nest en gaaiken di ontroofd?
Mag ik op mijn hert di dragen,
Tot het leven mij ontvliedt —•
Bloemken! ik vergat di niet,
J. van Beebs.
In plaats van het enkelv. du (doe) is het meervoudige gij (yi),
ge gekomen, of, zooals men in de omgangstaal zegt: (ji),
en jou (of jou) voor ». Ttj en jou hoort men niet gaarne. Wil