Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
44. De voornaamwoorden dienen om zelfstandigheden aan
te wijzen of aan Ie duiden. Men onderseheidt ze in per-
soonlijke, bezittelijke, aanwijzende, onbepaalde, vragende en
betrekkelijke voornaamwoorden.
De voorn, zijn bijvoegelijk of zelfstandig. De bijvoeglijke staan
als bepalingen vóór de zelfst. naamw., om de zelfstandigheden na-
der aan te wijzen: deze man, dat kind, mijne mqeder, uwe
dochter enz. De zelfstandige treden in den zin als plaatsvervan-
gers van de zelfstandige naamw. op: ik, wij, men, iemand, niets
enz. Zij dulden geene bepalingen vóór zich. Sommige voorn, kun-
nen zoowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt worden: mijn kind,
dat kind is het mijne, wie zegt dat? enz.
4b. Men onderscheidt de pers. voorn, in pers. voorn, van
den den, den 2en -en den 3en persoon.
De pers. voorn, van den len persoon wijzen den spreker
aan; die van den 2en persoon wijzen den aangesprokene aan;
die van den 3en persoon wijzen een derden persoon aan, of
wel eene zaak, waarover gesproken wordt.
De persoonlijke voorn, behooren alle, tot de zelfstandige.
Verbuiging der persoonlijke voornfiamwoorden.
Eerste persoon. Tweede persoon.
Enkelvoud.
Mann. en vrouw. Mann. en vrouw.
1. Ik, 'f. 1. Du (doe).
2. Mijner, mijns, mijn- 2. Dijner, dijns, dijn.
3. Mij, me. 3. Dij (di).
4. Mij, me. 4. Dij (di).
Derde persoon.
Mann. Vrouw. Onz.
1. Hij. 1. Zij, ze. 1. Het,'t.
2. Zijner, zijns, zijn. 2. Harer,haars, haar. 2. Zijner, zijns, zijn.
3. Hem. 3. Haar, heur. 3. Hem, het, 't.
4. Hem. 4. Haar, heur, ze. 4. Het, 't.