Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
Helaas! Helaas! hoe vlieden onze dagen!
Hoe spoedt zich ieder uur met onzen luister heen!
Hoe flauwe vreugd, hoe bittre plagen!
Hoe min vermaak, hoe veel geween!
Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen;
Hoe m i n het wuft geluk naar breidel hoort en toom.
In te min heeft min de beteekenis van gering:
De dood waar' hem te jnin geweest:
De schande zij zijn loon!
Tollens. Albrecht Beiling.
In de bet. van gering, onbeduidend enz. komt min vooral voor
in de spreektaal.
De stellende trap van erg komt o. a. voor in het spreekwoord:
Die erg denkt, vaart erg in het hart; verder in: Hij meent het
zoo erg niet en in de woorden ergdenkend, argw an, arglistig.
42. Staat bij eene vergelijking tussehen de hoedanigheid
der voorwerpen het bijv. naamw. in den stellenden trap, dan
wordt dit gevolgd door het voegwoord als; b. v.: Jan is
fzoo groot, als Piet; Hij is evengoed, als zij; Die held is zoo
goed, als groot; Hij was even wijs, als dapper; Gij waart niet
half zoo goed, als hij; Zij waren wel driemaal zoo rijk, als
wij; enz.
Na den vergrootenden trap gebruikt men het woordje
dan: Jan is kleiner dan Willem; De vader was mij welkomer,
dan de zoon; Het is meer, dan genoeg; Zij was meer vlug,
dan vlijtig; Het schijnen andere vrachten, dan die van giste-
ren; Geen ander dan hij, was er; Die knaap leest anders,
dan gij; Er was niemand (anders), dan hij; Wiens schuld is
het (anders), dan de zijne; Hij kwam nooit (anders), dan des
iZondags; Hij eet niets {arniers), dan brood; Zij kwam nergens
(anders), dan bij u; Ik zal nimmer komen (anders), dan