Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
stout; deelachtig, swdrtachtig, krijgshaftig, dankbaar, toor
nig, ordelijk, ordentelijk, goddeloos, aarJsch, Zweedsch, Rus
sisch, Eüropeesch, Europeaansch, Afrikaansch, vreedzaam
onnooiel, weelderig; zilveren, koperen, linnen, spanen,sneeu
wen 1), vleezen, lijwalen, schelpen; beleefd, vermaard, gestreng
aartsdom, onrein, wanvoegelijk enz.
Vomen twee of meer bijv. naamw. een onscheidbaar geheel, dan
volgt alleen het laatste bijv. naamw. het zelfst. naamw. in geslacht,
getal en naamval, b. v.: Nederland, heeft eene rood, wit en blauwe
vlag; Die landman heeJt onderscheidene wit en zwarte koeien.
Slechts enkele bijv. naamw. staan «a het zelfst. naamw., wairbij
zij behooren. In dat geval worden ze niet verbogen. Zoo zegt
men zoowel Vader lief. Vadertje lief; Moeder lief. Moedertje lief;
als Meisje lief, enz.
Bij het doen van den eed luidt het: Zoo waarlijk helpe mij God
almachtig, in plaats van: de almachtige Ood.
Verder spreekt men van de Staten-Generaal voor de Generale
Staten. Zoo ook van den Qfootmester-nationaal. In de uitdruk-
king mijn vader zaliger bepaalt zaliger niet het voorafgaande zelfst,
naamw. vader, maar het verzwegen woord gedachtenis. Volledig
luidt de uitdrukking: mijn vader zaligtr gedachtenis. Bij Zuid-
nederlandsche dichters staat ook het verouderende jent (lief, beval-
lig) achter zijn zelfst. naamw.:
En de nachtegaal jent
Zong nooit zoo frisch:
Hij verkondt, dat de lent'
Verrezen is,
G, J, Dodd.
1) Een voorbeeld van sneeuwen vinden we o. a, in Vondel's tascha.
Boe lange zal hij hier geXyken ongestüd
Een sneeuwen beeld, dat in den zonneschijn versmilt.
En in Tollens' Nova Zembla:
Een sneeuwen meiboom steett levrozen zich naar buiten.