Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
Hij is een schilder beteekent: Hij is schilder van beroep, hij
'tehoort tot de Masse der schilders; Hij is schilder bet.: Hij bezit
ie vereischte hoedanigheden om schilder te zijn. Zegt men van iemand :
Uij is een dichter, dan plaatst men hem in de dichterrij; zegt men:
Uij is dichter, dan geeft men te kennen, dat hij dichttalent, de
jave der dichtkunst bezit.
Komt een hoedanigheid-aanwijzend zelfst. naamw. zonder het lid-
woord van eenheid voor, dan wijst het niet zoozeer den persoon
aau, als wel de eigenschap, welke die persoon bezit. Zoo schrijft
men dan te recht: Gokdius (de legger van den Gordiaanschen knoop)
was een landbouwer; Aatia-, GiO'B.X)ixi& was landbouwer en werd koning;
Ajtos was een herder; doch: Amos was herder en werd profeet. Zoo
ook. \ Ééns burgemeester, blijft burgemeester; Eéns dief, altijd dief;
Hij was koopman en is koopman gebleven; Hij was molenaar, werd
later bakker en is bakker gestorven; Hij is door en door soldaat, of;
Hij is soldaat door en door; Hij was met hart en ziel onderwijzer, enz.
Bij zelfst. naamw. met ongunstige of verachtelijke beteekenis
kan een niét gemist worden: Hij was een snoeper en werd een dief;
Hij is een schelm door en door; DomitiaNüs was in zijne jeugd een
dierenbeul en werd later een menschenmoorder, enz.
Er is onderscheid tusschen: Hij spreekt van den Burgemeester en
Secretaris, en: Hij spreekt van den Burgemeester en den Secretaris;
Hij ging^ tot d^n vriend en raadsman zijner jeugd, en: Hij ging tot
den vriend en den raadsman, zijner jeugd. Wordt het lidwoord «ie^
herhaald, dan is er slechts van één en denzelfden persoon—; wordt
het wel herhaald, dan is er vau twee personen sprake.
Lidwoorden, die denzelfden vorm hebben, behoeven vóór neven-
geschikte zindeelen, ook bij verschil van geslacht en getal, niet
herhaald te worden; b. v.: Abkold von Winkemied stierf den
heldendood voor het geluk en de vrijheid van zijn vaderland; doch ^
Hij stierf voor de eer en welvaart van zijn vaderland; De vader,,
moeder en grootouders van de bruid waren tegenwoordig; Hij kocht
een paard, koe, ezel en geit.
Wanneer men met nadruk of'verheffing spreekt, wordt het lid-
woord niet zelden herhaald: Elisabeth Tkt was de weldoenster,.