Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
genoot of speelnoot, tochtgenoot enz. Voorts: getuige, dienstbode,
maag, namaag, gids, erfgenaam, kameraad, bloedverwant oitericant,
geuaal, wees, gade, eega, gast, brekespel, steiloor, slokop enz.
Van diernamen zijn hokkeling (éénjarig kalf) en -pink (een jong
rund) gemeenslachtig.
Nevens eene bode, dat alleen in deftigen stijl gebruikt wordt,
staat bodes, tabodin: eene vrouw', wier beroep het is, boodschap-
pen te doen. Nevens gemaal bestaat het gebruikelijke gemalin.
Waar zulks mogelijk is, voegt men, ter bevordering der dui-
delijkheid, aan de gtmeenslacLtige woorden eene toonlooze e toe,
om daardoor den vrouwelijken persoon aan te duiden, als: de heer A,
en echtgenoote, die leerlinge, deze erfgename enz.
27. liet lidwoord dient om aan te wijzen, dat een zelf-
standig naamwoord eene etikele zelfstandigheid, of eene
bepaalde zelfstandigheid beteekent.
Het woordje een, dat hetzelfde is als het toonloos uit-
gesproken telwoord één, heet lidwoord van eenheid. De en
bet heeten lidwoorden van bepaaldheid.
De is uit het bijvoeglijk aanwijzend voornaamw. die, én het is
uit dat ontstaan.
Uit dat ontstond het verkorte 't; doch ook't persoonlijk voor-
naamw. het werd tot 't verkort: daaraan is het te danken, dat
het voor dat in de plaats is gekomen.
28. In des verheug ik mij, des verkiezende, des ondanks, des-
noods, deswege, desaangaande, deskundige, desbcvoegde, derhalve,
dermate, dergelijke enz., zijn des en der voornaamw. Het voorn.
des treft men ook aan in de volgende dichtregelen:
Opdat hij des getroost mocht zijn.
Gedacht hij slechts zijn huwlijkszegen.
Zegt men: één mijner vrienden, er is er één, dan is él?« een be-
paald telwoord. Spreekt men in: een mijner vrienden, er is er een,
een zonder klemtoon uit, dan is 't een onbepaald voornaamwoord.