Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
verzamelende stofnamen tmïyu dL^-^xoia v., terwijl ze als
zijn. Hetzelfde geldt omtrent steen, turf, baars, snoek, zalm
en meer soortgelijke woorden, welke daarom, evenals diamant,
agaat, arduin, schildpad, doek, koord enz., den naam dragen van
zelfstandige naamw.: zelfst. naamw., die meer dan één
geslacht hebben, en wier verschillend geslacht zijn grond vindt in
eene verschillende opvatting. Enkele woorden, welke niet alleen een
voorwerp aanduiden, maar tevens eene onbepaalde hoeveelheid van
die voorwerpen, zoowel als eene stof, waaruit voorwerpen vervaar-
digd worden, hebben alle drie de geslachten. Daartoe behooren o, a.
steen en turf: Hij viel over eenen steen en niet over eenen turf
(voorwerpsnamen, ra.); Hij verkocht mij vrij dure steen en vrij
slechte turf (verzamelende stofnamen, v.); Het steenishar*
d^r dan het kurk (zuivere stofnamen, o.).
Tot de meerslachiige woorden behooren ook de v. namen van
vruchten, welke m. worden, als zij moeten dienen om deboomen
aan te duiden, welke die vruchten voortbrengen; b. v,: Geef mij
eene lekkere abrikoos van dezen jongen abrikoos (abrikozeboom) en eene
rijpe perzik van dien ouden perzik (perzikboom). — Voorts behoo-
ren hiertoe burgerschap, priesterschap, maagschap (zie n°. 22, 19®.).
Verder zaaknamen, welke van gebruikt kunnen worden
en dan van geslacht veranderen, "Lm^^x^^nhloed^xi ondeugdm,-,
tamboer, in de bet. vau trommel^,, wordt, als het den trommelsla-
ger aanduidt, m. Zoo spreekt men ook van een eersten en twee-
den viool, in de bet. van vioolspeler, terwijl utöo/zelve v. is; enz.
26, Gelijkslachtige of zelfslachtige zelfst. naamw. zijn die namen
van dieren, welke hun spraakkunstig geslacht behouden, onver-
schillig of zij mannetjes of wijfjes aanduiden. Zoo blijven o/i/««^,
panter en struis m., al spreekt men van de wijfjes; rat, hagedis
en marmot blijven v,, al spreekt men van de mannetjes; fret,
konijn Qv^ fluwijn blijven o. voor mannetjes en wijfjes beiden.
Gemeenslachtige zelfst. naamw, zijn dezulke, die mannelijk zijn,
wanneer zij een mannelijken, en vrouwelijk, wanneer zij een vrou-
welijken persoon beteekenen. Hiertoe behooren de woorden op
ling genoot, als: vreemdeling, lieveling, tweeling, echtgenoot, speel-