Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
Tot het zwaard: Keer in de schee!
Spreek nu tot de tweedracht: Wijk!
Weer het oorlog uit Uw rijk!
Want de wereld is Uw rijk. ^
Menlek IS m.x Be mensch is van Oods geslachte. Zie den mensch!
Wordt mensch o. gebruikt, dan heeft het iets vertrouwelijks, me-
delijdends of minachtends, 't Wordt dan vooral van vrouwen ge-
bezigd; Z'j (de Hollaudsche maagd) keek eerst het blad met een
onverschillig gelaat in, maar barstte toen eensklaps in zulk een scha-
terend lachen idt, dat er eene hoestbui op volgde, waar ik dacht
dat het mensch in blijven zou. (Mulder). Het arme mensch was
doodziek. Bat slechte mensch is uwe achting onwaardig, — Stitrmensch
(de Minotaurus uit de mythologie) is m, Jongmensch heeft het o.
geslacht om dezelfde reden als kind, Oamemch en vroüwniensch
zijn o., om het bijdenkbeeld van minachting, dat hun aankleeft,
zoowel als manspersoon en cyow^Js^ffnoo«, hoewel joemow zelf m. is.
Om geene andere reden wordt heerschap, som^ heerztlh, o.
gebruikt.
Wacht is in de bet. van wachter, m. Te recht schrijft dus Tollens :
Hij hoort en ziet den vromen wacht.
Die lag te worstlen in een wak.
Mannelijk z\}Xi ook schildwacht, torenwacht, nachtwacht
neer men één der wachthebbende mann, personen bedoelt. Heeft
wacht de bet, van het wachthouden, de bewaking, of wijst het de
gezamenlijke wachters aan, dan-is het v.: Zy hielden de nacht-
wacht bij hunne kudden; Hij zag de wacht optrekken.
Hiervoren is reeds opgemerkt (zie n®. 23, 4®.), dat men het
geslacht vau sommige woorden als voorwerpsnaam wèl onderschei-
den moet van hun geslacht als stofnaam. Zoo zalmen, van één
visch, één aal, één ^paling enz. sprekende, zeggen: Hij is niet
gaar; doch is er van meer dan één visch, aal oï paling s'^rdk^,
of vau in mooten gesneden visch, aal of paling: ik moet van die
visch, die aal, die paling niet hebben-, zij is niet gaar. De woor-
den visch, aal en paling komen in den laatst en volzin voor als