Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
baaierd (chaos), hleekerd (bleekroode wijn), opperd (veilige
ligplaats voor schepen), blafferd (zekcr register), hopperd
(het bier in den hopketelj, lommerd, lomberd of lombard
(bank van lecning) 1).
40". De '.voorden, welke op aard eindigen, als: mostaard,
mutsaard (takkebos) 2), beiaard (klokkenspel), ponjaard, de
Banjaard (eene zandbank), standaard of standerd, tabbaard
of tabberd enz.
11De namen van dieren en vruchten, welke op ing of ling
eindigen, als: bonzing o{ bunzing, taling {ecnc soort van kleinen
eendvogel), groenling (groene vink), gieteling (eenemeerle),
takkeling (een jonge vogel), haring, wijting (witte schelvisch),
paling, bokking, spiering, stekeling of grondeling (grondel);
pippeling, kruiling, guldeling, schaveling (alle vier appelsoor-
ten), spadeling (late vrucht).
12°. De namen van edele of bijzondere stecnen, als:
agaat, saffier, robijn, topaas, smaragd, karbonkel, turkoois,
diamant, granaat; kei, keizei enz.
13». De namen van werktuigen, of middelen om de
werking te verrichten, welke op e? eindigen, mits ze van
werkwoorden gevormd zijn, als: beitel, klepel, sleutel, lepel,
vleugel, stekel, teugel, hevel, beugel, griffel, drevel, prikkel,
gordel, hangel, hengel, slegel of slagel, strijkel enz.
Vrouwelijk zijn schoffel, sikkel.
14°. De oorspronkelijke verkleinwoorden op ei, die van
mann. woorden gevormd zgn, als: eikel (van eik), beukei
1) De kooplieden, die het eerst deze banken opriclitten in Europa,
waren Lombarden; vandaar haar naam, nu bijna algemeen tot lommerd
verbasterd.
2) In; Het rieht naar den mutsaard, 't Woord komt nog voor in
mutserdpaard, zeker werktuig, waarvan men zich bedient bij het maken
van mutserds.