Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
De vierde naamval wijst [bij een bedrijvend of overgan-
kelijk werkwoord] het voorwerp aan, dat de werking
ondergaat, of het voorwerp, dat uit de werking ontstaat:
Hy bakt brood; Zij bemint haar vader; Hij sloeg [den hond;
De moeder sneed eene boterham,; Het kind verkruimelde zijne
boterham, enz.
In de zinsontleding noemt men het voorwerp, dat door dezen
vierden naamval aangewezen wordt, in het bijzonder het voorwerp.
Worden de zinnen, waarin zulk een voorwerp voorkomt, uit den
bedrijvenden in den lijdenden vorm overgebracht, dan wordt het
voorwerp onderwerp, de naamval wordt dus «ew^enaamv.,
en het onderwerp vormt met de hulp van een voorzetsel eene bepaling :
Brood wordt gebakken door hem. Haar vader wordt bemind door haar, enz.
Ook volstrekt onovergankelijke of onzijdige werkwoorden kunnen
een voorwerp iu den 4en naamval, een rechtstreeksch voorwerp,
bij zich krijgen:
1°. Wanneer men het onechte zelfst. naamw., dat de werking
van het onzijdig werkwoord uitdrukt, als bepaling bij het werk-
woord voegt; b, v,: Hij gaat zijn gang; Hij sloeg een slag; Hij
slaapt den laatsten slaap; Strijdt den goeden strijd des geloofs ,eiUZ.
2°. Wanneer men het zelfst. naamw., dat het voortbrengsel
noemt van eene werking, die tot het onderwerp bepaald blijft, als be-
paling bij het werkwoord voegt; b. v.: Zij schreide heete tranen;
Hij zweette bloed; Het vriest ijs; Het sneeuwdegroote vlokken; en,
in overdrachtigen zin: Ood regent weldaden over rechtvaardigen en
onrechtvaardigen.
3°. Wanneer men het zelfst. naamw,, dat de strekking uitdrukt
van eene handeling, die tot het ond. bepaald blijft, als bepaling
bij het werkw. voegt; als: Hij ademt wraak; Hij snuift woede, tTiz,
4°. Wanneer men het zelfst. naamw., dat het voorwerp aan-
wijst, hetwelk door de handeling van het ond3rwerp in zekeren
toestand geraakt, als bepaling bij het werkwoord voegt; als: Hij
wandelt zich moede; Hij staat zich (3e n.) de beenen moe; Hij ziet
zijne oogen blind; Hij werkt zich dood, enz.