Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
3e naamv. van bezit, van »oor-of pa» ««(frai, of, wanneer
hij afhankelijk is van een werkw. of bijv. n,, bloot 3e. naamval.
De derde naamv. doet [bij overgankelijke of bedrijvende
werkw.] het voorwerp kennen, ten welks behoeve of ten
welks koste de handeling van het onderwerp geschiedt:
Ik geef den knaap -een boek, Ik ontneem den leerling het mes.
Hij ontstal zijn heer een zilveren horlogie enz.
Deze naamval wordt ook omschreven door het voorzetsel öö»,
gevolgd door den vierden naamval, als: li geef een boek aan den
knaap. Ik ontneem het mes aan den leerling, Hij ontstal een zilveren
horlogie aan zijn heer enz.
De derde naamv, doet [bij onovergankelijke of onzijdige w.] het
voorwerp keunen, ten welks aanzien de toestand of gesteldheid
van het onderwerp bestaat: Be zoon slacht zijn vader. Hij ontmoette
mij. Zij kwam mij tegen, Zjn gedrag mishaagde ons enz.
De 3e naamv. van bezit komt in de plaats van een bezittelijk
voornaamw, of een 2en naamv, van bezit: Hij braxdl zich de vingers,
d, i.: H/j brandt zijne vingers; Be vader drukte het zijn zoon diep
in het hart; Hij leide hem niets in den weg; Hij snelde hun ter hulp ;
Hij werpt ze mn elkaar, eikanderen (3 n.) uit het oog enz.
De 3e naamv, van voor- of nadeel laat zich steeds door het voorzet-
sel voor omschrijven: Be zaak is mij nieuw. Zij was mij eene gehoor-
zame dochter, Bat huis is ons groot genoeg, Het duurt hun te lang enz.
De 3e naamv. van nadruk komt voor in eenige eigenaardige uit-
drukkingen, aan de volkstp.al ontleend: Bat was me een leventje!
't Was me een weer als een oordeel; Bat zal je me komen te zien.
Bijv. naamw., welke eene bepaling in den 3en naamv, bij zich
nemen, zijn o. a,: lief, leed, welkom, nuttig, aangenaam, schade-
lijk, gelijk, dankbaar, noodig, dienstig, gehoorzaam, eigen, vreemd
enz.: Bat is mij leed, Be vrije lucht was den Batavier liever. Zij
xoas mij welkom. Wees uw ouders dankbaar, enz.
Sommige tusschenwerpsels hebben een \onafhankelijken of zelf-
standigen'] 2en of 3en naamval achter zich, b, v.: Wee onzer! Wee
mij! Ach »ij/