Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
een voorzetsel: Mijn God! Mijn God / Erbarm u over mij en over
dit arme volk! — Gedenk aan mij /
De 2e naamw. van verdeeling wijst het geheel aan, waarvan
een deel is genomen: eene som gelds, eene bete broods, een dfonk
waters, een tevg wijns, een uur gaans, weinig goeds, veel kwaads,
wat 'Jekkers, iets nieuws, iemand onzer, wie uwer, wat al goeds
heeft hij gedaan enz.
Mist bet zelfst, naamw. het teeken van den 2ennaamval (de«),
dan staat bet iu denzelfden naamval als de naam der hoeveelheid:
Ik drink een glas (4e n.) wijn (bijstelling van glas, 4e n.); Bit is
een glas (Ie n.) roode wijn (bijst., Ie n,); Zij dronken veel wijn
(4e n.); Er is weinig hier (Ie n.).
De 2e naamv. van scheiding wijst het voorwerp aan, waarvan
men scheiden moet: Hij is dezer wereld overleden; Hij is der wereld
afgestorven; Hij werd balling 's lands.
De voorwerpelijke 2e naamv. is de naamv, van het voorwerp,
dat eene handeling ondergaat: de verpleging der zieken ^ de inneming
der stad, de genezing der kranken enz.
De onderwerpdijke 2e naamv. is de naamv. van het voorwerp,
dat de handeling verricht: de opgang der zon, de behandeling des
geneesheers enz.
De bijwoordelijke 2e naamv, is een bijwoord of bijwoordelijke
uitdrukking van tijd of wijze in den 2en naamv.: daags, des daags
of ^s daags, 's avonds, des winters-, dezer dagen, onverrichter
zake, ziender oogen enz.
De 2e naamv. wordt vaak omschreven door het voorzetsel Pff«,
gevolgd door den vierden naamval, als: de zoon van den vader,
de heer van het huis, de goedheid van God, de arke van Noach;
de verpleging van de zieken; de behandeling van den geneesheer; tx^z*
Deze omschrijving verdient vooral dan aanbeveling, als het woord
op een sisklank uitgaat. Men ^cWi^iiwan den dans, mn den dorst,
van den disch, en niet: des danses, des dorstes, des dissches. -Zoo
ook: van het ei en niet des eis; van het gebergte voor des geberg-
tes enz.
Naar zijne verschillende beteekenissen heet de derde naamval