Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
Er is onderscheid van beteekenis tussohen stadbezetting en stads-
bezetting, glasmaker en glazenmaker, stadverdelger en stedenverdel-
ger, briefschrijver en brievenschrijver, vilskop en uilekop, landlied
en landslied, stadhuis en stadshuis, landhuis en landshuis, landheer
en landsheer, krulbol en krullebol.
13. Bij de verbuiging der zelfst. naamw. onderscheidt
men den eersten, tweeden, derden en vierden naamval.
Den onderwerpsvorm noemt men den eersten naamval;
daarom zegt men gewoonlijk, hoewel minder juist, dat het
onderwerp van een volzin altijd in den eersten naamv.
staat: De jongen leert. Het kind wordt geprezen.
De. aangesproken persoon heeft denzelfden vorm als het onder-
werp : Jongen ! leer uwe les! Kinders ! let op !
Sterren, Zon, en Maan!
Dient God op Zijn wenken!
(Zie ook n°. 70 en 72).
Naar zijne verschillende beteekenissen wordt de tweede naamval
onderscheiden in 2en naamval van afkomst en Uan bezit, van oor-
zaak, van verdeeling, van scheiding, en in voorwerpelijken, onder-
werpelijken en bijwoordelijken 2en naamval.
De tweede naamval van afkomst en bezit geeft afkomst,
verwantschap, bezit of eigendom te kennen, als: de zoon des
vaders, de heer des huizes, Gods goedheid. Moeders schoot,
de arke Noachs, de psalmen Davids, de derde Januari enz.
De 2e naamval, dien sommige bijvoeglijke naamw. en werk-
woorden bij zich eischen, heet de 2e naamval van oorzaak: Hij
is des doods schuldig; De grijsaard is des leven» zat; Hij is zijns
zelfs meester; Het is der moeite niet waard; Heer! Gedenk mijner;
Ik schaam mij uwer; JErbarm u zijner; enz. In plaats van dezen
2en naamv. bezigt men vaak den vierden naamv.: Set is de
moeite niet waard; Hij was zijn leven niet zeker; Ik schaam mij mijne
armoede niet; enz.
Bij werkw. omschrijft men dezen 2en naamv. niet zelden door