Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
Van moer (eene verkorting van moerschroefmoederschroef)
heeft men natuurlijk moortje.
c. Vele zelfst. n., die op b, g, ng, 1, m, n en r eindigen,
voorafgegaan door een onvolkomen klinker, nemen etje aan, als:
tolletje, ruggetje, ringetje, wandelingetje, spelletje, kommetje, pan-
netje, karretje. Die, welke op g eindigen, kunnen ook den ver-
kleiningsuitgang aannemen: rugje, brugje, vlagje enz.
Wordt de ng voorafgegaan door eene <oo«/oo?e j, dan verandert
ng in nh, als: spierinkje, penninkje.
Ook_;o«y, een jong geboren dier, heeft
d. De zelfstandige naamw., die op m uitgaan, voorafgegaan
door den medeklinker 1 of r, door een helderh, klinker, een twee-
klank, of eene toonlooze e, nemen pje aan, als: raampje, zeempje,
riempje, oompje^ duimpje, bodempje, bezempje, olmpje, armpje,
wormpje, zalmpje enz.
Bloempje is het verkleinwoord van bloem; bloemetje (blommetje)
is het verkleinwoord van bloemen Men vindt ook bloemeke.
e. De zelfst. naamw., die den onvolkomen klinker van het enkel-
voud in het meervoud in een helderen klinker veranderen, behou-
den dien meestal bij de verkleining; b. v.: pad, paden, paadje;
blad, bladen, blaadje; rad, raden, raadje; glas, glazen, glaasje;
vat, vaten, vaatje; slot, sloten, slootje; lot, loten, lootje; spit,
speten, speetje; schip, schepen, scheepje; enz.
Men zegt in het enkelvoud: dalletje, stadje, dakje, dagje, tredje;
in het meervoud: dalletjes of daaltjes; stadjes of steedjes; dakjes
of daahjes; dagjes of daagjes; wegjes of weegjes; tredjes of treed-
jes 1). Zoo ook zegt men in het enkelvoud: eitje, hoentje, kindje,
lammetje, blaadje, kleedje, kalfje, spaantje, en in het meervoud
eitjes of eiertjes; hoentjes of hoendertjes; kindjes of kindertjes; lam-
metjes of lammertjes; blaadjes of bladertjes, blaartjes; kleedjes of
kleedertjes, kleertjes; kalfjes of kalvertjes; spaantjes of spaander-
tjes. De eerste meervoudsvorm ziet op elk voorwerp in het bijzon-
der; de tweede, op al de voorwerpen, als een geheel beschouwd.
1) Tredjes is eigenlijk het meervoud van tred, treedjes dat van trede'.