Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
131
Mcû beeft verschillende soorten van voeg^'oorden ; als :
1. Koppelende of aaneenschakelende: en; ook; zoowel — alsook, niet
alleen — maar ook; noch; en een aantal voegwoordelijke bijwoorden:
daarna, wijders, hovendiin, desgelijks, alsmede, daarenboven, mitsga*
ders, insgelijks, desgelijks enz.
2. Tegenstellende: maar, doch, edoch, nu, dan-, en de bijwoorden:
ioe/', evenwel, nogtans, echter, niettemin, desniettegenstaande, intusschen,
veeleer, alleenlijk, daarentegen , ja, ja zelfs, integendeel.
3. Scheidende: of; of — of-, hetzij — hetzij.
4. Plaats- en tijdbepalende: waar, alwaar, vanwaar, waarheen, wer-
waarts; a's, toen, wanneer, wen, zoodra {als), zoo haast {als), zoo
tpoedig {als), zoo dikwerf {als), ku {dat), tot {dat), terwijl {dat), daar,
gedurende {dat), zoolang {als), na {dat), sedert {dat), sinds {dat), vóór
{dat), eer {lan), eer {lat), thans (-/c/).
5. Vergelijk.nde: gelijk {als), ccen (als), zoo (als), dan.
6. Verhoudingaanwijzende: hoe — des te, hoe — hoe, naarmate,
{ftt) naar (dat), naar gelang.
7. Bepnkende: in zoo verre, voor zoo verre {als), zoo v^r.
8. Besluitende', zoodat, weshahc; dus, dies, derhalve, vandaar
dat, bijgevolg, dienvolgens, alzoo,
9. Redengevende: want, immers, toch; om reden (dat), op grond
(dat), daar, dewijl oi wijl, vermits, overmits, nademaal, naardien,
djordien, doordat, aangezi'^n; sinds, sedert, nu.
10. Doelaanwijzende: opdat, dat, ten einde.
11. Veronderstellende en voorwaardelijke: wanneer, als, zoo,
indien, ingeval {dat), bijaldien, tenzij, tenware, mits,
12. Toegevende: schoon, ofschwn, hoezeer, hoewel, alhoewel,
ül, niettegenstaande; wie — ook, welke — ook etiz.
13. Verklarende en uitzonderende : als, dtn, dat, of.
Tenzij eu tenware zijn ontstaan uit het en zij, *t eu zij ; het en
wate, V en ware; d. i.: Het zj niet. Het ware niet : onXkcxinenàe
verouderstellende zinnen. En staat hier in de plaats van ne, een
oatkenuend bijwoord, dat iu de schrijftaal niet meer alleen voor-
komt en met iets, iemanÏ, ergens enz. iu niets, nimand, nergens
enz. tot één woord is samengesmolten. Kog zegt men in sommige
streken V En doet voor: Het doet niet; b. v.: IHe man isirmen,