Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
127
De Cctober-ochtend lichtte pas
Op Breeroos torentrap, ,
Toen Reynout op zijn stalboef schold,
En hief, het hart van toorn vervold,
Zijn staf tot lijfstraf op.
"Met kwam daar vrouw Joanna toen
De breedo trappen af.
, W. J. Hofdijk. Be Stalboef.
Zie hem I daar is hij! Tiran, voor den dag !"
Met rokt hij 't zwaard oit en dreigt hem den slag.
Met is hier oorspronkelijk het eenige woord, dat van dentijdbepalen-
den bijwoordelijken zin: mei dat hij dit zegt, d. i.; terwijl hij dit zegt,
is overgebleven. In den volledigen zin blijft mei natuurlijk den naam van
voorzetsel behouden.
Kwansuis, waarvoor men ook kwanswijs en hwansijs vindt, wordt in
het dagelijksch leven zeer verschillend uitgesproken. H Is een oud woord,
aan het Latijn ontleend, en beteekent: in schijn, geveinsd enz. B, v.:
Bestje wilde boter sparen; doch de kinders werdcfi *t wijs.
Om daar beter in ie varen, viel de kaars omver, kwanswijs.
d. i.: viel de kaars als bij ongeluk omver; was het, alsof de kaars omvev
viel; had het den schijn, dat dc kaars omver viel, terwijl men haar
met opzet omver wierp.
83. De voorzetsels duiden verschillende betrekkingen tot
eenig voorwerp aan, en wel voornamelijk betrekkingen van
plaats en tijd. Zij zijn: a, aan, achter, bij, door, in, jegens,
met, na, naar, om, onder, op, over, te, tegen, tot, tiisschen,
nil, van, voor, zonder.
Enkele bijwoorden worden als voorzetsels gebruikt,
zooals: aangaande, behalve, behoudens, beneden, betref-
fende, bezijden, boven, buiten; gedurende, krachtens, langa,
luideas, naast, nevens, benevens, niettegenstaande, nopens, om-