Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
Wen verdeelt de bijwoorden in de volgende soorten,
1. Bijwoorden van hoedanigheid en wijze, als: schoon, fraai, schrij
lelijk, kortelijk, blindelings, zoetjes, stilletjes, zachtkens, rechts,links
averechts, hoe, zoo, dus, anders. B. v.: Hij schildert schoon; Zi^
schrijven slecht; De jongen leest vlug; Hij deed het blindelings
Ik zal H u kortelijk zeggen-. Bij deed het averecht^', Be eene
doet het zus', de a^ndere zoo,
2. Bijwoorden van hoegrootheid en graad-, vXs-.genoeg, half, veel, tien-
voud-, hoogst, uiterst, uitermate (voor uit der mafè), hijzonder, te, alie,
iamslijk, vrij, driewerf, zeer, B, v.: Hij heeft genoeg gegeten-. Ik
ben half gereed; Zij was uiterst beleefd; Ik was bij zonder ie*
treden; Driewerf gelukkig is de tevredene,
3. Bijwoorden van omstandigheid-, als: tevergeefs, tersluiks, terloops-,
gaarne, mede, iegelijk; allemaal, samen , slechts of maar, minstens, eer-
stens , ten tweede , anderdeels, ten slotte, wijders, voorts \ als: Hij deed
het gaarne-., Zij smeekte tevergeefs) Ik heb maar drie zustersZij
sprak wij der s over v.
4. Bijwoorden van plaats en ruimte-, als: aan, achter, bij, in, na,
nabij, dichtebij, op, voor, heinde en veer (nabij ttistx), naast, nevens,
beneden, binnen , buiten , onder, ver, wijd en zijd, overal, ergens, ner-
gens, hier, daar, er, vandaan, gind^, ginder, daarboven, rechts, links,
onderweg, halfweg, halverwegen, allerwegen, ihuis oi te huis, elders-, af,
daar, om, rond, rondom, toe, van, uit, heen, her, henen, voort, weg,
naarboven, voorwuatis, herwaarts , derwaarts, vandaar^ daarheen, waar-
heen, hergaf, bergop, noordwaarts, huiswaarts, te mijwaart, tot mij.
b. v.: Ja, die landouwen, als heinde en veer wij hier aanschou-
wen , zijn nergens meer.
"Waar Maas en Waal te zamen spoelt
En Gorkum rijst van ver,
Daar heft zich op den linker zoom.
En spiegelt in den breeden stroom
Een slot van eeuwen her^
H Is Loevestein.
Tollens. Herman de Ruiter,
5. Bijwoorden van tijd: ooit, nooit, nimmer, nimmermeer, eens, wél-
eei (outstaan uit wijlen eer), voorheen, dan , nu, heden, vandaag (eigen-