Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
wijfje, is de kracht van den verkleiningsuitgang verloren gegaan.
Zoo ook in vrouictjesappel voor Onze-Vrouweappel, Vrouwtjesdag
voor Trouwendag. Eene mannetjesnoot is eene notemuskaat of mus-
kaatnoot van de grootste soort.
De oorspronkelijke verkleinvormen zijn: el en ken. Uit el en
ijn is de verkleinende uitgang lijn ontstaan. Ken is, door ver-
smelting der uitspraak, ioi jen geworden, waarvoor men nu bijna
algemeen je schrijft. Om den wille der uitspraak wordt vóór jen
{je) en ken (ke) vaak eene s, t o{ p ingevoegd.
Vele woorden op el zijn dus oorspronkelijk verkleinwoorden,
als: droppel of druppel, kruimel, kneukel, knobbel, sprenkel, eikel,
bundel, ij zei, mazel enz.
a. De zelfst. naamw,, welke op d, t, F, g, ch, k, p, »en «oh
eindigen, nemen den verklciAingsuitgang^'e aan, als; hoedje, bestje 1),
plmtje, stoofje, boogje, lachje, kruikje, stoepje, roosje, vischje. — Meid
wordt mei^e of meiske.
b. De zelfst. naamw., die eindigen op een klinker oi tweeklank,
of op t, n, r, w, voorafgegaan door een helderen of toonloozen
klinker, nemen tje aan, als: kooltje, graantje, varkentje, vuurtje,
leeuwtje, koetje, kneutje, kraaitje, leitje. Keetje, papaatje, Naatje,
spaatje, Catootje, Kootje.
Oa of gade heeft gaaike; jongen heeft jongetje oi jongske.
Ym pa, ma, moe en zus (verkortingen van papa, mama, moe-
der en zuster) heeft men paatje, maatje, moetje, zusje,
'Bootje, dat men niet zelden in 't huiselijk leven hoort, is't ver-
kleinwoord van het tot boo verkorte boterham.
Van het samengetrokkenc broer, leer, veer, weer heeft meu broertje,
leertje, veertje, weertje.
Praatvaar en praatmoer worden praatvaartje, praatmoertje.
Vaartje en moertje komen, evenals vaar en moer (samengetrok-
ken uit vader en moeder), zelden anders dan in spreekwoorden
voor: Hij heeft een aardje naar zijn vaartje; Mal moertje, mal kindje.
1) Bestje, 't verkleinwoord van hest (eene verkorting van bestemoe-
der) , verdient de voorkear boven 't vroeger meer gebruikelijke be^e.