Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
Meervoud.
1. Wij werden of wierden beloond. 1. Wij werden of wierden beloond.
3. Gij werdt of wierdt beloond. 2. Gij werdet of wierdet beloond.
3. Zij werden of wierden beloond. 3. Zij werden of wierden beloond.
Volm. verl. tijd der aanv. wijs.
Volm. verl. tijd. Volm. teg. tijd der voorw. wijs.
Enkelvoud.
1. Ik was beloond, of: ik was 1. Ik waie beloond, of: il; ware
beloond geworden. beloond geworden.
Enz. Enz.
Onvolm. toek. tijd. Verl, onvolm. toek. tijd der
aant. wijs.
Onvolm. tosk. tijd der -
v00b.w. wijs.
Enkelvoud.
1. Ik zal beloond worden. 1. Ik zoude beloond worden.
Enz. Enz.
Volm. toek, tijd. Verl, volm, toek. tijd der
aant. wijs.
, Volm, toek. tijd der
voorw, wijs,
Enkelvoud,
1. Ik zal beloond zijn, of: ik 1. Ik zoude beloond zijn, of: ik
zal beloond geworden zijn, zoude beloond geworden ziju.
Enz, - Enz.
Verleden volm. teg. tijd, Volm. verl. tijd der
voorw. wijs,
1. Ik beu beloond geweest. I. Ik ware beloo(id geweest.
Enz. Enz.
Gebiedende wijs.
Onvolm. teg. of toek. tijd.
Enkelvoud.
1. Laat mij beloond worden; laat ik beloond worden.
2. Word beloond.
3. Hij worde beloond! Laat hem beloond worden; laat hij bel. worden.