Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
119 /
79. Voorbeeld van sterke verbuiging.
Het onovergankelijke (onzijdige) werkwoord vallen.
Aantoonende wijs. Aanvoegende wijs.
Onvolmaakte teg. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik val. 1, Ik valle.
2. Gij valt. 2. Gij vallet.
3. Hij valt. 3. Hij valle.
Meervoud.
1. Wij vallen. 1. Wij vallen.
2. Gij valt. 2, Gij vallet.
3. Zij vallen. 3, Zij vallen.
Volm. teg. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik ben gevalleu. 1. Ik zij gevalleu.
2. Gij zijt gevalleu. 2. Gij zijt gevalleu.
\ 3, Hij is gevalleu. 3. Hij zij gevallen.
Meervoud,
1, Wij zijn gevallen. 1. Wij zijn gevallen.
2. Gij zijt gevallen. 2. Gij zijt gevallen.
• 3. Zij zijn gevallen. 3., Zij zijn gevallen.
» Onvolm. verl. tijd dor aakv. wijs.
Onvolra. verl. tijd. Onvolm. teg. tijd der vooRW. wus.
Enkelvoud.
1. Ik viel. i. Ik viele.
2. Gij vielt. 2. Gij vielet.
3. Hij viel. 3. Hij viele.
Meervoud.
1. Wij vielen. 1. Wij violen.
2. Gij vielt. % Gij vielet.
3. Zij vieleu. 3, Zij vielen.