Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
118
Meervoud.
1. Leeren wij! Laat ons leeren; laten wij leeren.
3. Leert.
3. Zij leeren! Laat hen leeren; laten zij leeren.
Naamwoordelijke vormen van het werkwoord.
Onbepaalde wijs. Deelwoorden.
Onvolm. teg. tijd. Deelw. van den onvolm. tijd.
Leeren. Leerende, leerend (bedr. deelw.).
Volm. teg. tijd. Deelw. van den volm. tijd.
Geleerd hebben. Geleerd (lijdend deelwoord).
Onvolm. toek. tijd. Geleerd hebbende:
(Te) Zullen leeren.
Volm, toek. tijd.
Geleerd (te) zullen hebben.
AanmerkiBgen. De 2de persoon enkelv. ontbreekt eigenlijk in alle
tijden; doch men vervangt dien door den 2den persoon meerv. Bij Zuid-
nederlandsche schrijvers komt hij niet zelden voor. Dezen schrijven b. v.:
du leers, du hoors enz. De gebiedende wijs heeft slechts één tijdvorm,
en wel dien, welke den overal ontbrekenden 2den persoon enkelvoud aan-
wijst, In het meervoud ontvangt deze eene i. De ontbrekende tijdvore-
men worden vervangen óf door de onbep, wijt van het werkwoord, ver-
gezeld vaa het hulpwerkwoord laten in èjt gebiedende'^imèjsi
óf door vormen, aan de aanvoegende wijs van het werkwoord ontleend.
Laat mij leeren, laat hem leeren, laat ons leeren, laat hen leeren betee-
kent : Sta toe, dat ik Icere; dat hij leere; dat wij leeren; dat zij leeren. —
In: Latt ik leeren, laat hij leeren, laten w^ leeren, laten zij leeren Wgi
eene aansporing, eene vermaning, welke men tot zichzjelven of anderen
richt. Laten bet. hier doen en staat eigenlijk in de aanvoeg, wijs^
In het Middelnederlandsch werd laten in de geb. wijs ook bij
den 2en persoon gebruikt. Zoo schreef men b, v. voor Leid ons
niet in verzoeking: Laat ons niet leiden in verzoeking; voor
Schuw zulk eene daad: Laat schuwen zulk. eene daad. Ook
was luien niet het hulpwerkw. van de gebiedende wijs alleen: men
schreef b. v. in de aantoonende wijs: Zij lieten henen gaan voor
Zij gingen henen.