Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
117
1. Wij hadden geleerd.
2. Gij hadt geleerd.
3. Zij hadden geleerd.
Onvolm. toekomende tijd.
1. Ik zal leeren.
2. Gij zult leeren.
3. Hij zal leeren.
1. Wij zullen leeren,
2. Gij zult leeren.
3. Zij zullen leeren.
Volmaakte toekomende tijd.
Meervoud.
1. Wij hadden geleerd.
2. Gij haddet geleerd.
3^ Zij hadden geleerd.
Verl, onvolm. toek. tijd der a ajjt. wijs.
Onvolm. toek. tijd der voobw. wijs.
Enkelvoud.
1. Ik zoude (zou) leeren.
2. Gij zoudet (zoudt) leeren.
3. Hij zoude (zou) leeren.
Meervoud.
1. Wij zouden leeren.
2. Gij zoudet (zoudt) leeren.
3. Zij zouden leeren.
Verl. volm. toek. tijd der aast, wijs.
Volm. toek, tijd der vookw. wijs.
1. Ik zal geleerd hebben.
2. Gij zult geleerd hebben.
3. Hij zal geleerd hebben.
Enkelvoud.
1. Ik zoude (zou) geleerd hebben.
2. Gij zoudet (zoudt) geleerd hebben.
3. Hij zoude (zou) geleerd hebben.
Meervoud.
1. Wij zullen geleerd hebben. 1. Wij zouden geleerd hebben.
2. Gij zult geleerd hebben. 2. Gij zoudet (zoudt) geleerd*hebben.
3. Zij zullen geleerd hebben. 3. Zij zonden geleerd hebben.
Gebiesënse wijs.
Onvolmaakte teg. of toek. tijd.
Enkelvoud.
1. Laat mij leeren; laat ik leeren.
2. Leer.
3. Hij leere! Laat hem leeren; laat hij leereu.