Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
Meervoud.
1. Wij leeren. 1. Wij leeren.
2. Gij leert. 2. Gij leeret.
3. Zij leeren. 3. Zij leeren.
Volmaakte tegenwoordige tijd. /
Enkelvoud.
1. Ik heb geleerd. 1. Ik hebbe geleerd.
2. Gij hebt geleerd. 2. Gij hebbet geleerd.
3. Hij beeft geleerd. 3. Hij hebbe geleerd.
* Meervoud.
1. Wij hebben geleerd. 1. Wij hebben geleerd.
2. Gij hebt geleerd. 2. Gij hebbet geleerd.
3. Zij hebben geleerd. 3. Zij hebben geleerd.
Onvolm. verl. tijd der aanv. wijs.
Onvolm. tegenw. tijd der voob-
Onvolm. verledene tijd. waabdelijk.e wijs.
Enkelvoud.
1. Ik leerde. 1. Ik leerde.
2. Gij leerdet. 2, Gij leerdet.
3. Hij leerde. 3. Hij leerde.
Meervoud.
1. Wij leerden. 1. Wij leerden.
2. Gij leerdet. 2. Gij leerdet.
3. Zij leerden. 3. Zij leerden.
Volm. verl, tijd der aanv. wijs.
Volm. tegenw. tijd der voobwaau-
Volm. verledene tijd. delijke wijs.
Enkelvoud.
1. Ik had geleerd. * 1. Ik hadde geleerd.
i. Gij hadt geleerd. 2. Gij haddet geleerd.
3. Hij had geleerd, h 3. Hij hadde geleerd.