Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
cc. Zijgen (de melk zijgen, iiltreeren) heeft zeeg, gezegen. Van dit
werkwoord komt uitzingen in het gezegde: de mug uitzijgen enden kemel
doorzwelgen,
dd, Ruiken is hetzelfde als rieken^ Sommigen gebruiken, zonder grond,
ruiken overgankelijk (bedrijvend) ennVtoonovergankelijk (onzijdig); als:
l)e hond ruikt het wïld\ De bloem riekt. Men zegt altijd welriekende blo*
men en niet vjelruikende bloemen. Zoo ook: Het riekt naar den muttaard,
ce. Raken heeft raakte, geraakt. Deugen heeft deugde, gedeugd, In
ie spreektaal hoort men vaak rocht, gerocht\ docht\ gedocht, gedeügen,
ff, Stooten heeft stootte, stiet; gestooten, Aussehen heefife wiesch,
(waschte)', gewasschen.
gg, Wassen (met was bestrijken) ^ttft waste, gewast-,was5:.n {grotitv)
heeft wies, gewassen.
Pluizen (rafelen, plukken) heeft ploos, geplozen-, pluizen (pluizen afge-
ven) heeft pluisde, gepluisd.
Brouwen (bier brouwen) heeft brouwde, gebrouwen-, brouwen (met de
'gtem) heeft brouwde, gebrouwd.
Bijten (happen) heeft beet, gebeten-, bijten (eene bijt hakken) heeft
bijtte, gebijt,
Pijpen (op de fluit spelen) heeft (eene pijp rooken)
heeft pijpte, gepijpt,
hh, Koordedansen, buikspreken, kroegloopen nemec bij de vervoeging
een verzwegen voorzetsel aan: Ik darts op de koord. Hij sprak uit (of
Me() den . huik. Zij liepen in de kroeg^
ix, Gehören is het- verl. deelwoord van beren (dat o. a. ook voort-
brengen beteekent); het bijvoeglijk gebruikte deelw. komt
van heigen; verholen komt van helen; beloken (in Beloken Paschen)
van beluiken (sluiten); beschoren van bescheren (toebedeelen).
78. Voorbeeld van zwakke verbuiging.
Het overgankelijke (bedrijvende) werkwoord leeren.
Bedrijvend geslacht.
Aantoonende wijs. Aanvoegende wijs.
Onvolmaakte tegenwoordige tijd,
s Enkelvoud.
]. Ik leer. • 1. Ik leere.
2. Gij leert. 2. Gij leeret.
3. Hij leert. < 3. Hij leerc.