Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
Bijvoorbeeld: Hij viel over een steen (voorwerpsnaatn); Batisduré
steen (verz. stofnaam); Het s^«« (zuivere stofnaam) is harder dan
het hout (zuivere stofnaam); Het hout (verzam. stofn.) is tegenwoor-
dig goedkoop; Bij Haarlem vindt men het eeuwenoude Haarlemer
Hout (verzamelende voorwerpsn.); Hij struikelde over een houtje
(voorwerpsn.); Hij kocht een grooten visch (voorw.); Zij aten, visch
(verz, stofn.); Visch (zuiv. stofn.) is niet zoo voedzaam als vleesch;
Deze landstreek bestaat uit berg (verz. stofn.) en bosch (verz. stofn.);
Hij steeg van den berg (voorw.) en verdween in het bosch (voorw.),
ïot de verzam, voorw. behooren ook de namen der talen: het
Fransch, het Engelsch enz.; de bijvoeglijke naamwoorden in het
onzijdig - geslacht, als zelfstandige naamwoorden beschouwd: het
ware, het goede, het schoone enz,
9. Denkbeeldige-zelfslandiglieidsmmen of onechte zelfstan-
dige naamwoorden zijn namen van onstoffelijke dingen,
die als zelfstandigheden voorgesteld worden. Deze dingen
zijn niet denkbaar zonder voorwerpen of stoffen, waaraan
of waarin men le waarneemt, b. v.: wijsheid, grijsheid,
deugd jeugd, geluk, druk, bloei, groei, hoogte, droogte, sla-
vernij, bedelarij, brand, stand, val, knal, loop, doop, gelach,
beklag, het leven, het geven enz.
10. Verkleinwoorden dienen om uit te drukken, dat iets
klein van omvang is, of minder sterk of hevig dan gewoon-
lijk, als: Roosje, kindeke, boekske, sto*ltje, bloempje, oogelijn,.
vogelijn, maagdelijn; luchtje, vermaakje, regentje enz.
De verkleiningsuitgang brengt niet zelden het denkbeeld van
lieftalligheid, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid of toegenegenheid
mede: Wel, Moedertje! hoe gaat het?Mis, Broertje.' — Hoor
eens, Vriendje! —Bat zijn mijne gastjes !
In mannetjesputter Vj, wijfjesvink; 't Is geen mannetje, maar een
1) D»ar een mannetjesputter grooter is dan een mjfjespuUer,
men in het dagelijksch leven niet zelden den naam van marmetjesputter
aan iets, dat groot is in zijne soort. Men zegt het voornamdijk vao
groote manspersonen.