Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
ƒ, Wenken heeft wenkte, yewenkt. Erven heeft erfde, geërfd.,
g. Helpen heeft hielp, {holp)\ geholpen. Zwervenh.ta.it zwierf, {zworf)\
gezworven,
K Van gerennen (sameovloeien), geron, geronnen, Yi^t^i iX^oii^ geron-
nen nog gebruikt, als in versje: Zoo gewonnen, Zoo geronnen, en in
(Ie uitdrukkiDj? geronnen bloed. Van rennen, dat vroeger sterk was, ii
geronnen afkomstig in de uitdrukkingen: Nimmer moe geronnen tijd en
afgeronnen tijd. Mea vindt ook: Nimmer moe gerende tijd.
t'. Barsten {hersten) heeft harsite, gebarsten, en horst, geborsten,
y. Eten heeft at, gegeten 1).
k. Leichen heeft lachte, oudtijds loeck, hm loeg, gelachen. Laden ht^d
laadde, oudtyds loed\ geladen. Loed komt nog enkele malen,komt
nog vaak in verzen voor,
/. Waaien heeft waaide, woei; gewaaid,
tn. Jagen heeft jaagde of joeg; gejaagd. Vragen heeft vraagde of
vroeg; georaayd. De zwakke vorm is de oorspronkelijke en veidient daarom
volgens sommigen de voorkeur.
H. met een lepel, eramer euz., heeft schepte, geschept, Séhep'
pen, uit niets voortbrengen, heeft schiep, geschapen^ Men zegt zoowel
Hij schepie er behagen in als Hij schiep er behagen in,
0, Hijschen, mijden tM vermijden wonlon liefst hijgen, benijden
en hezwijnien liefst zwak, krijschen en aantijgen (beschuldigen) zoowel
sterk als zwak verbogen. In de spreektaal en in dichtmaat komen de drie
eerste niet zeldca in den zwakken, de drie volgende niet zelden in den
sterken vorm voor.
p. Krijgen, oorlog voeren, heeft krijgde, gekrijgd, Äry^^«, ontvan-
gen enz., heeft kreeg, gekregen.
q. Stijven, doen verharden in 't kwaad, sterken, heeft
Stijven, stijf maken, heeft sterf, gesteven. Fers tij ven heeft verstijfde, ver-
stijfd. Men boort ook versteef, versteven^
1) Men schrijft gij at uf gij aai en zoo ook 'yi}" fradt gij traadt,
gij padt cf gij laadt enz. In sommige streken zegt men ik hrb algeten
voor geëten, gegeten. Men zegt dd.ir oo\i glooven soor gelouven; gegloofd ^
voor geloofd. Glijden is ontstaan getijden y blijven nxi be-lijven ^
gunnen uit ge-unnen, erhar.nen uit er-he-armen. Dit armen beteekent
medelijden met iets hebben. Ontfermen voot onthermen ^ onihanuen ,
ont'he-armen. '
8