Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
111
den enz.; als: I& hen dien mam Ik ken mijne les; Ik ken hem aan
zijne stem.
i. Kunnen, moeten, mogen, weten en zullen werkwoorden
met een opgeschoven verleden tijd, omdat de oorspronkelijke vorm
van hun verleden tijd die van den tegenwoordigen is geworden.
Zoo is ik kan eigenlijk de oude sterke onvolm. verl, tijd vau kön-
nen (hetzelfde als kunneii), en ik zal die van zollen (hetzelfde als
zullen). Later vormde zich een nieuwe zwakke verleden tijd:
konde {kori) en ik zolde {zoude, zou). — Mag, weet en moet zijn
evenals kan en zal oorsproakelijk vormen vau den onvolm. verl,
tijd en daarom missen hij kan, hij mag en hij zal de De werk-
woorden, waartoe die vormen behooren, zijn echter in het Neder-
landsch niet aan te wijzen.
y. //eÄÄ^Ä staat voor haben {pï haven, nog in ons handhaven
bewaard is). Bij heeft is eigenlijk hij hevet (heven is weder
hetzelfde als haven). Ik had staat voor ik havede {haafde), sa-
mengetrokken en verkort tot had, en gehad staat voor gehaved
{gehaafd).
k. Zijn ontleent zijne vormen aan verschillende stammen,
H Werkwoord zelf is ontleend aan de meervoudsvormen van de
aantoonende wijs; wij zijn, gij zijt, zij zijn, die met hij wen de
vormen der aanvoegende wijs: ik zij enz. tot een wortel behooren,
die in het Ned. niet gevonden wordt.
De onvolm. verl. tijd was eu 't verleden deelwoord geweest
zijn die van het sterke werkwoord wezen, dat wonen, blijvenht-
teekent. Ik ben, oorspronkelijk ik bem, staat weder geheel op
izich zelf.
l. Willen mist van ouds de vormen der aantoonende wijs, waar-
voor die der aanvoegende wijs iu de plaats treden. Daarom mist hij
wil (eenè verkorting van hij wille) de 't Verleden deelw.^etó^?
is tot een bijv. n. geworden (dat zelfs de uitgangen van den ver-
gelijkenden en overtreffenden trap kan aannemeu) in den zin
van begeerd, verlangd, gezocht: Deze koopwaren zijn meer gewild
ian die.
Nevens willen bestond de vorm wollen. Van het eerste hebben wij