Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
104
Hulpwerkwoord van het geslacht is worden, dat het lijdende
geslacht uitdrukt van de overgankelijke en onovergankelijke
werkwoorden, als: ik sla, ik sleeg, ik heb geslagen, enz.:
bedrijvend geslacht; ik word geslagen, ik werd gesla-
gen, ik zal geslagen worden, enz.: lijdend geslacht. Zoo
ook: Er wordt hier druk gewerkt-. Er wordt hier ie veel ge-
lachen eu gepraat.
Alle volzinuen, waarin een lijdend voorwerp voorkomt, kunnen
in den lijdenden vorm worden overgebraciit. Het lijdend voorwerp
(4n.) wordt dan onderwerp (In): Ik sla den hond {bedr. gQs\SiChi),
I)e hond wordt geslagen door mij (lijdend geslacht); Ik eet brood.
Brood foordt gegeten door mij; Ik betreed uw dorpel. Uw dorpel
wordt betreden door mij,
72. Het werkwoord zijn heet zelfstandig werkwoord. Eerst met
een bijvoeglijk naamwoord of zelfst. naamwoord verbonden, vormt
het een volledig gezegde, als: God is groot; God is de Almachtige^
Dit laatste geldt ook van de werkwoorden: heeten, blijven, blijken,
worden, schijnen, en lijken o^gflijken in de bet. van schijnen. Zij heb-
ben alle twee eerste naamvallen bij zich, als: hij is een held; zij
heet mijne vrienain; gij blijft een bloodaard; zij schijnt een deugd-
zaam mei'je; hij werd een geacht man; hij leek een razende;gij blijkt
een eerlijk man te zijn. Hij leek {geleek) een razende (lu.) moest
eigenlijk zijn: Hij leek {geleek) een razende (3n.),
73. De werkwoorden vragen, onderwijzen en /tf^r^» hebben twee
verschillende voorwerpen in den 4den naamval bij zich, als: Ej vraagt
het hen; Ik leer hen de aardrijkskunde; Gij onder wjjst hen de geschiedenis.
Sommigen zijn evenwel van een ander gevoelen. Zij nemen tot
regel aan dat, wanneer bij deze drie werkwoorden geen zaak als
voorwerp staat, dan de persoonsnaam in den vierden naamval
komt te staan; doch dat, zoodra er eene zaak als voorwerp bij
komt, de persoonsnaam in den derden naamval staat. Dezen schrij-
ven dus: Ik vraag hen (4a.); Ik vraag hun (3n.) iels (4n.); Hij
onderwijst u (4n.); Hij onderwijst u (3n.) de geschiedenis (4n.); Hij
leert mij (4n.); Zij leert mij (3n.) de aardrijkskunde {4in.). Brengt