Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
'Bij sommige onpersoonlijke werkw. wordt het voorn, het gemist.
Zoo staat M'j dont voor Het dorst mij, enz.
Onechte of schijnbaar onpers. werkw. zijn: Het smart hem, dat gij
ziek zijl; Het betreemdt mij-, dat hij niet hier is; Het verheugt hem,
dat gij hier zijl; Het geschiedde, dat hij ziek was, enz,, welke betee-
kenen: Dat gij ziek zijt, smart hem; Dal hij niet hier is, bevreemdt
mij; Dat gij hier zijt, verheugt hem; Dat hij ziek was, geschiedde.
De onpersoonl. werkw. regenen, sneeuwen, hagelen enz. worden
soms gevolgd door een zelfstandig naamw., waaraan de werking,
door het werkw. uitgedrukt, wordt toegekend: Hel regent dagen;
Het regent aich; Het sneeuwt bloesems; Het hagelde kogels; mz. In
deze en soortgelijke volzinnen staat het zelfst. naamw., als het
ware onderwerp van den volzin, in den len naamval. Het regent
slagen toch zegt zooveel als: Slagen regenen, er regenen dagen-.
Het regende asch, zooveel als: Er regende asch,a^ch regende, enz.
Duiden echter de zelfstandige naamw., welke op de evengenoemde
werkwoorden volgen, de gewone, de natuurlijke voortbrengselen
aan van de werking, die door het werkw. uitgedrukt wordt, dan
staan ze in den 4en naam v.: Hel regent water; Het sneeuwt vlokken ;
Het vriest ijs. (Zie bl. 15),
Xog verdienen genoemd te worden de werkwoorden van oorzaak
en van herhaling: zetten (eigenlijk doen zitten), leggen (doen lig-
gen), drenken (doen drinken), zoogen (doen zuigen), voeren (doen
varen, d. i. rijden), sleepen (doen slepen), leiden (doen lijden, d. i.
doen gaan), tellen (doen vallen); —trappelen, wippelen, trippelen, krab-
belen, klapperen, bibberen, stotteren, hinkelen, blakeren enz.
Er is geen onderscheid van beteekenis tusschen: bevochten en
bevochtigen, begiften en begiftigen, nutten en nuttigen, xerkondfin
en verkondigen, veilen en vestigen, kruisen en kruisigen, voleinden
en voleindigen, spijzen en spijzigen, nooden en noodigen, verzaden
en verzadigen, veree^en en vereenigen, hulden en huldigen, zich ver-
lusten en zich verlustigen enz.
71. Onder dc werkwoorden zijn er eenige, die ZiMZ/^iferA--
lioorilen heeten.