Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
^)6rznimen mede te brengen, dan liceft het uitsluitend hebben:
\lk heb mijn hoek vergelen; diOch. Ik ben mijne les vergeten. Zoo zegt
rnen dan Ik heb mijn wnk begonnen en Ik ben m'jn werk of aan
mijn werk begonnen; Ik ben hem nagevolgd, d. i. uagegaau, eu/X:
heb hem nagevolgd, d, i. zijn voorbeeld Ik hen hem voorbij-
yegaan, weder in eigenlijke, en Men heeft hem voorbijgegaan, in
onei^eulijke beteekenis; enz.
Tot de overgankelijke (bedrijvende) werkwoorden behoo-
ren de terugwerkende werkwoorden.
Terugwerkende werkwoorden zijn de zoodanige, waarbij
het onderwerp, waarvan de werking uitgaat, tevens het
voorwerp is, dat die werking ondergaat, zooals: zie//
schen, zich schamen, zich inbeelden, zich veroorloven.
Zich schamen, zich inbeelden, zich aanmatigen enz., die niet zon-
der zich kunnen voorkomen, beeten noodwendig terugwerkende; zich
wasschen, zichklceden, zich prijzen enz., die ook zonder ^/c/i gebruikt
worden, beeten toevallig terugwerkende. Deze hebben vaak bet
woordje zelve bij zich, als: lij pnjst zich zclven; Hij wascht zich
zeiven; Ik kleed mj zeiven. Men schrijve liefst niet: Ik schaam mij
zeiven. Ik beeld mij zeiven in.
70. Wanneer een werkwoord zoo gebruikt wordt, dal
de persoon of zaak, waarvan dc werking uitgaat, niet uit-
drukkelijk genoemd, maar door het onzijdig voornaamwoord
hel uitgedrukt wordt, dan heet zoo'n werkwoord onpersoonlijk.
Echte o{ wezenlijk onpers. werkw. zijn: hel regent, hel waait,
het hagelt, het is koud, het is warm; mij (4n.) dorst, hem
(4n.) hongerde; mij (4n.) duizelt; hen (4n.) huiiferdc; het ont-
breekt hem (3n.) aanrnoed, het faalt heny{3n.) aan krachten,
het scheelt hem (3n.) aan hel hoofd; mij (4n.) droomde, dat
ik koning was; mij (4n.) docht, dat hij het ernstig meende;
mij (4n.) heugt, dat ik hem meer gezien heb; enz. i).
1). De volzinnen, met echte onpersoonl. werkw. samengesteld, hehoo-
ren tot de bestaanszinnen.