Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
danige, die geen lijdend of recht streek sch voorwerp bij zich
kunnen nemen, als: slapenr, vallen, knielen, sterven, zitten enz.
Onovergankelijke (onzijdige) werkw. kunnen een voorwerp iu
den 2eu of 3en naamval bij zieh hebben, als; gedenken, belattten,
tceschijnen: Gedenk nvjner {^xi); Dat betaamt u (3n.); Dit scheen
hun (3n.) zoo toe.
Onovergankelijke {onzijdige) werkw. kunnen een voorwerp in deu
4d. naamv, bij zich hebben, als: Uj gaat zijn gang; Zij schreide
heeie tranen; Het sneeuwde groote vlokken; Hij ademt wraak; Hij
wandelt zich nwede; Zij lacht zich een ongeluk, enz. (Zi^ï bl. 15).
Sommige werkwoorden kunnen zoowel overgankelijk (bedrijvend)
als onovergankelijk (onzijdig) zijn, b. v.: Ik da den hond en De
klok slaat; De hond bijt mij eu Kalk bijl-, De jongen breekt een
glas en Glas breekt ras; Hij nepp u en De koude neep, enz.
Sommige overgankelijke werkwoorden worden bij voorkeur of
uitsluitend met hebben, andere bij voorkeur of uitsluitend met zijn
vervoegd. Bij de eerste heeft men voornamelijk de handeling op
het oog, bij de dLtn toestand^ welke daarop gevolgd is. Tot
de eerste behooren o. a. staan, arbeiden, streven, lachen, weenen,
sneeuwen, regenen, slapen, kunnen, mogen, willen enz. Tot de
laatste: komm, weggaan, vluchten , landen,gronen, tegemoetgaan,
sterven, vallen. Ontwaken, veranderen, verouderen enz. Sommige
onovergankelijke werkwoorden worden met heiben en zijn beide
vervoegd: met hebben weder, als men eene voleindigde handeling
wil aanduiden; met zijn, als men den toestand op het oog heeft,
welke op die haiideling is gevolgd; b. v.: Ik heb hard geloopfn.
Ik heb mij moe gplooppn, tXi Jk ben hard naar huisgehopen, Ik ben
moe giioopen; d. i.: na het loopen bevond ik mij tehuis, was ik
moede. Met hebben antwoordt het onderwerp op de vraag: JVat hebt
gij gedaan? Met zijn geeft het onderwerp inlichting omtrent ziju
toestand, nadat hij 7 gedaan heeft, en zegt dus waar entohet
zich dan bevindt, waarheen het zich begeven heeft, enz.
De overgankelijke werkwoorden vergeten, volgen, beginnen en
eenige andere, die vroeger onovergankelijk waren, worden daarom
zoowel met zijn als met hebben vervoegd. Beteekent vergeten