Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
68. Sprekende en gesproken, leerende cn geleerd enz., zijn
eigenlijk bijvoeglijke naamwoorden , doch worden gewoon-
lijk deelwoorden genoemd; het eerste heat dan tegenivoordtg
ieélwoord of deelwoord tan den onvolmaakten tijd; het tweede,
mieden deelwoord of deelwoord van den volmaakten tijd.
Men schrijft zoowel: Bij komt aanrijden, als: Hij komt aange-
beden; Zij kwamen aanloopen, als: Z>j kwamen aangeloopen; enz.
Men schrijft zoowel: Ik heb leeren lezen, Ik heb lezen geleerd;
;oowel: Zj had leeren teekenen, als: Zj had teekenen geleerd of
'ij had het teekenen geleerd. Zoo ook: Ik heb leeren vergenoegd zijn
\ ;n Ik heb geleerd, vergenoegd ie zijn; Ik heb hem zijne ouders leeren
beminnen eu Ik heb hem geleerd, zijne ouders te himinnen.
Men schrijft zoowel: Uij heefl getracht, begeerd, gepoogd, ver-
langd, verkozen, gemeend, gevreesd hem te zien, als: Hj heeft hem
nogen te naderen; Men had hm hegeeren, verlangen ie zien; Men
heeft haar niet verkiezen te ontvangen; Iemand had hem meenenie
ontdekken; Wij hadden hem vreezen te ontmoeten. Zoo ook: Hij
had behooren te komen en Zij hadden behoord ie komen; Zij z'jn
heginnen {té) werken en Zij zijn begonnen te werken,
69. De werkwoorden worden ten opzichte van hunne beteekenis ver-
Jeeld in overgankelijke (bedrijvende) en onovergankelijke
Overgankelijke (of bedrijvende) werkwoorden zijn de zoo-
danige, die een lijdend of rechtstreeksch voorwerp bij zich
kunnen nemen, dat de werking ondergaat, ais: s/a/i/i,/;oa-
oen, nemen, eten, betreden enz.
Dit lijdend of rechtstreeksch voorwerp, dat altijd in den ^en
laamval staat, heet in 't bijzonder het voorwerp, M''ordt het be-
leerscht door em voorzetsel, dan houdt het op het voorwerp te
lijn: 't vormt dan met dit voorzetsel eene bepaling, B.
ien hond (lijdend voorwerp, 4n.); Ik sla op den hond (bspa-
ing); Ik eet brood (voorwerp); Ik eet van het brood (bc;ii-
ing); enz.
Onovergankelijke (of onzijdige) werkwoorden zijn de zoo-