Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
97
De voorwaardelijke wijs heeft yier tijden, als: de
onvolm. teg. lijd: hij sprake, gewoonlijk hij sprak,
volm, teg. lijd: hij hadde gesproken, gewoonlijk h^
[had gesproken,
onvolm. toek. lijd: hij zou spreken,
volm. toek. lijd: hij zou gssproken hebben.
De voorwaardf.UjkB wijs komt voor in hoofdzinnen, die door een
nderstellenden of voorwaardelijken afhankelijken zin in de aan-
)onende wijs voorafgegaan of gevolgd worden, b. v.: Wist ik het,
zou het u zeggen; Ik zou het u zeggen, indien ik het wist; Hij
)u het doen, indien hij maar kon; Hij zou u verraden, als hij maar
urfde; Durfde hij maar, hij zou u verraden.
Hierbij valt het volgende op te merken:
1°. Dat de tegenwoordige en toekomende tijden elkander vervan-
en kunnen, zoodat men voor bovenstaande'zinnen ook schrijven
an: Wist ik het, ik zei de het u; Hij deed het, indien hij
aar kon; Durfde hij maar, hij verried u.
2°. Dat de gedachten, in de voorwaardelijke wijs uitgedrukt,
Meestal strijdig zijn met de werkelijkheid. Zoo blijkt uit de volzinnen:
Hst ik het, ik zeide het u; Hij zou het doen , indien hij maar kon;
^ij zou u verraden^ ah hij maar durfde: dat Uij het niet zegt, wijl
; het niet weet; dat Hij het niet doet, omdat hij niet kan; dat
'ij u niet verraadt, dewijl hij niet durft.
3°. Dat de voorwaardelijke of onderstellende zinnen, welke van
3n hoofdzin afhangen, die in de voorwaardelijke wijs staat, zel-
m in de aantoonende wijs staan.
Dat onderstellende of voorwaardelijke zinnen nooit in de voor-
aardelijke wijs staan, maar bf in de aantoonende, óf in de aan-
vegende wijs.
5°. Dat het onderscheid, hetwelk vroeger bestond tusschen de nu
üijkluidende vormen der aantoonende en der voorwaardelijke wijs,
3heel is verloren gegaan.
De voorwaardelijke wijs dient ook om wenschen uit te drukken,
icr vervulling hopeloos of zelfs onmogelijk is: Och, leefde nn mijn
oede vader nog! O, ware ik voor hem gestorven!
5