Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
in voorwerpszinnen voorkomen: Hij tcenschte, dat zijn vriend on
kwanie-y Hij verklaarde te icenschen, dat hij er geen woord vam
gesproken hadde.
Of de onvolm, en de volm. teg. tijd beschouwd moeten worden
als onvolm. of volm, toek, tijden, hangt af vau het bijwoord van
tijd, dat het werkwoord vergezelt. Zoo heeft men b. v. in: Ik),
wil, dat hij nn {dadelijk, oogenhlikkehjk, terstond) spreke aan een i
onvolm. teg. tijd —, en in: Ik wil ^ dat hij straks {dan, morgen, over-
morgen) spreke aan een onvolm, toek. tijd tc denken. i
De aanvoegende wijs wordt gebruikt in voorwerpsziuuen, na de ;
werkwoorden willen, begesren, bevelen, verlangen, verzoeken, hopen,
wen-ichen, bidden, smeeken, waken, zorgen, zorg dragen, zich hoeden,
op zijne hoede zijn en dergelijke, die een wensch of bedoeling uit-ij
drukken, als: Ik wil, dat hij mij groete; ik begeer, dal h'j kome; \
Draag zorg, dat het niet geschiede; enz, In dit geval kan de':
aanvoegende wijs door zullen eu mogen omsclireven worden: Ik)
wil, dat hij mij groeien zal; Ik begeer, dat hij komen zal; Draag {
zorg, dat het niet geschieden mag; enz. Ook vindt men hier niet
zelden den teg. tijd. in plaats van den toekomenden: Ik wil, dat )
hij mij groet; Ik begeer, dat hj komt; güz. Verder komt de aanv.
wijs voor in voorwerpszinnen, na zelfst, naamw,, die een wensch
te kennen geven, als: Hj geeft den wil^ de begeerte, het verlan-
gen, de hoop, den wensch enz. te kennen, dat het geschiede.
Verder wordt de aanvoegende wijs gebruikt in afhankelijke doel-
aanwijzende zinnen: Hij leert, opdat hij wijs worde; Zeg het mij,
ten einde ik mij wapene; Hij behoeft een vriend^ die hem de oogen opene.
Ook komt de aanvoegende wijs voor na tenzij, tenware mits,
en in wenschende, veronderstellende en toegevende volzinnen: Ik zal
het doen, mits hij hei ook do^.; Ik kom niet, tenware hj kwame;
God z-'^gene u! Al ware hj nog zoo geleerd! Ieder Christen^ waar
en wanneer h>j leve, wordt tot opofferingpn geroepen; Elk, hoedanig
zijn stand in. de maatschappij zij, is verplicht de wetten ie gehoorzamen.
Ten slotte moet nog aangestipt worden, dat verleden onvolnu
toek. tijd en de verl. volm. toek. tijd der aantoonende wijs vroeger
verkeerdelijk tot de aanvoegende wijs werden gebracht.