Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
95 ,
eercn is nuttig, Reizen is aangenaam. Hij moet zijne
?s leeren. Zij zullen hier kunnen blijven wonen.
De onbepaalde wijs wordt ook de zelfstandig naarawoor-
elijke vorm van het werkwoord geheeten.
De aantoonende wijs heeft al de tijden, die verschillende tijds-
etrekkingen aanduiden, dat is acht, als: vier tijden in welke men
et tijdstip, waarin men met zijne gedachten verkeert, s.\s tegen-
'i 'oordig beschouwt, en vier tijden, in welke men dat tijdstip als
erleden beschouwt.
De acht tijden der aantoonende wijs heeten:
Onvolra. tegenw. tijd: Äy spreeftf (gelijkt, doen),
volm. tegenw. lijd:/(ij heeft gesproken (gelijkt, daad),
cnvolm. toek. W^A: hij zal spreken (toekomstig doen),
volm. toek. tijd: hij zal gesproken hebben (toek. daad),
onvolm. verleden lijd:/iy sprak (gelijkt, doen),
volm. verleden tijd:/i^ had gesproken (gelijkt, daad),
verl.onvolm. toek. tijd: hij zou spreken (toek. doen),
verl. volm. toek. ü^d: hij zou gesproken hebben{toek.daad).
Soms wordt de onvolm. teg. lijd gebruikt in plaats van den
mvolm. toek. tijd, als: Morgen iom ik vwr: Morgen zal ik komen-.
Wanneer vertrekt gij? voor: Wanneer zult gij vertrekken?
Dc aanvoegende wijs heeft slechts de volgende vier
lijden, als:
Onvolra. tegenw. lijd: hij spreke,
volm. tegenw. tijd: hij hebbe gesproken,
onvolm. verleden tijd: hij sprake,
volm. verleden tijd: hij hadde gesproken.
De onvolm. teg. tijd {hij spreke) ziet op iets, waarvan men
weet of meent te weten, dat het niet geschiedt, of niet geschied
is. In den volm. teg. tijd (Äy/jeAi^y^sproi««) geeft iemand den
wensch te kennen, dat iets buiten zijn weten geschied zij. De
onvoltn. en de volm. verl. tijd kunnen slechts in verhalen en wel