Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 192 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204437
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: een beknopt handboekje voor hulponderwijzers en kweekelingen en leerlingen van normaal- en hoogere burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
(toekomstig ten aanzien van het teg, tijdstip); Hij beloofde
(gelijktijdig ten aanzien van een verleden tijdstip), dat hij
het doen zou (toekomstig ten aanzien van een verl. tijdstip).
Eene werking wordt of gedacht als aan den gang zijnde, als
nog voortdurende, aXs onvoltooidol onvolmaakt, dat is: als een i^Of»;
6t als gedaan zijnde, als voltooid ol volmaakt, dat is: als eene (/aa^^.
Het werkwoord drnkt deze onderscheiding door verschillende vor-
men uit: {hij) leest, valt, lezen, vallen; [hif) heeft gelezen, is ge-
vallen, gelezen hebben, gevallen zijn.
Een werkwoord drukt derhalve door zijne vormen drie verschil-
lende betrekkingen tot den tijd uit, die ieder tweeledig zijn. Door
de vereeniging daarvan ontstaan acht verschillende tijdvormen.
De verschillende tijdvormen vaa een werkwoord worden
de iijden van het werkwoord genoemd.
De wijzen der werkwoorden drukken de verschillende
wijzen uit, waarop eene gedachte geducht is en voorgesteld
wordt.
67. De werkwoorden hebben ijy/"wijzen: wer eigenlijke
en ééne oneigenlijke wijs: de aanloonende, ie aanvoegende,
de voorwaardelijke, de gebiedende wijs, en de onbepaalde
wijs. De gebiedende wijs is uit de aanvoegende wijs ontstaan
en de onbepaalde wijs wordt ten onrechte eene wijs genoemd.
De aantoonende wijs stelt iets voor als werkelijk: Hij
komt; Hij kwam; Hij zal komen; Hij zegt, dat hij komen zal;
Hij zeide, dat hij komen zou; Hij zeide: ik zal komen. De
aanvoegende wijs stelt iets voor aU mogelijk of wenschelijk :
Hij kome! Kwame hij toch! De voorwaardelijke wijs stelt
iets ivenschelijks voor als onmogelijk: Och, leefde hij nog!
Ware hij niet gestorven! De gebiedende wijs stelt iets voor
als een gebod, verzoek, vermaning, raad enz.: Kom, leer uwe
les! Och, doe dat niet! Wees steeds beleefd!
Komt het werkwoord zonder eenige vormverandering
voor, dan zegt men, dat het in de onbepaalde wijs staat: