Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: W.H. Zeelt, 1863
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1547 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204410
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
klassb der zooodierek.
Zoogdierea zijn gewervelde dieren, die door longen ademen, warm
bloed hebben, levende jongen voortbrengen en die eenigen tijd zoogen.
Bij de zoogdieren vindt men doorgaans vier ledematen en nooit
meer dan vijf teenen of vingers.
De ledematen met teenen voorzien heeten voeten»
Is de dnim van de overige vingers zoodanig verwijderd, dat hij
tegenover deze kan gesteld worden om iets vast tc grijpen, dan heet
de voet eene hand.
Zijn de vingers of teenen tot één gegroeid dan zijn het hoeven of
klaauwen.
De tanden der zoogdieren worden onderscheiden in snij-, hoek't
en maaltanden.
De snijtanden zijn voor in den mond geplaatst, en dienen ora
het voedsel af te snijden.
De hoektanden zijn aan weerzijden der snijtanden geplaatst.
De maaltanden of kiezen zijn achteraan geplaatst, en dienen om
het voedsel verder fijn te maler.
De meeste zoogdieren zijn geheel of gedeeltelijk met haar bedekt.
Bij eenige zoogdieren zijn deze haren hard en stekelig of hoorn-
achtig.
Enkele zoogdieren hebben eene naakte hnid.
De zoogdieren worden verdeeld in 14 afdeelingen, die Orden ge-
noemd worden.
De voornaamste orden zijn: Tweehandige, Vierhandige, Roof-
dieren, Knaagdieren^ Eenhoevige, Tweehoevige of Herkaauwende,
Veelhoevige of Dikhuidige en Vischachtige,
De orde der tweelandige zoogdieren bevat alleen den Mensch,
De Mensch onderscheidt «ich door zijne regtopgaande houding, de
regelmaat zijner ligchaamsdeelen, de gelijkmatige werking zijner zin-
tuigen , het vermogen om kunstmatig gevormde klanken voort te
breflgen (de spraak) en door zijne rede.
De mensch kan in iedere luchtstreek der aarde leven.