Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: W.H. Zeelt, 1863
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1547 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204410
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
Klimvogtls zijn vogels, die zich door hunne vaardigheid in het
beklimmen der hoornen onderscheiden. Aan hunne pooten staan twee
vingers naar voren en twee raar achteren. De meeste klimvogels
worden alleen in warme landen gevonden.
Tot de klimvogels behoorèn: de Papegaai, de Koekoek, de Specht.
Zangvogels dragen dien naam, omdat onder hen de zingende vo-
gels worden aangetroffen. Zij zijn doorgaans klein, hunne vleugelen
zijn tot lange en hooge vlngt geschikt, maar hunne pooten zwak
en dun. De zangvogels bouwen de kunstigste nesten.
Tot de Zangvogels behooren; de Viuk, de Kanarievogel, de Leeu-
werik, de Mees, de Kwikstaart, de Musch, de Nachtegaal, de Lijs-
ter, de Zwaluw, de Raaf, de Spreeuw.
Roofvogels hebbeu een sterken omgebogen bek of snavel. Hunne
pooten hebben vier vingers, waarvan een naar achteren gerigt is.
Zij kunnen zich hoog in de lucht verheffen en hebben inzonderheid
eeu scherp gezigt. Zij voeden zich met gewervelde dieren. Men on-
derscheidt de roofvogels in Nacht» en Dagroojvogeh.
Tot de nachtroofvogels behooren: de gewone XJil, de Kerkuil.
Tot de dagroofvogels behooren: de Valk, de Gier, de Arend, de
Sperwer, de Havik.
De vogels blijven niet allen altijd op dezelfde plaats. -Zij worden
als zoodanig onderscheiden in: Standvogelst Zwerfvogels e\i Trekvogels,
Standvogels blijven voortdurend dezelfde streek bewonen, zoo als
bij ons de. Musch en de Ekster.
Zwerfvogels trekken slechts heen en weer, en verwijderen zich niet
ver van de plaats, waar zij genesteld hebben; bijv: de Spechten.
Trekvogels gaan op bepaalde tijden gewoonlijk in groote troepen
naar warmer gewesten, en komen tegen den zomer terug; bijv: de
Ooijevaar, de Zwaluw, de Koekoek.
De vogels geven den mensch hunne eijeren, hunne vederen, hun
vleesch. Vooral ook geven zij door het eten van insecten en ander
gedierte een onberekenbaar nat.
KLASSE DER KRüiPENDE of TWEESLACHriGE BIEREN.
Kruipende of Tweeslachtige dieren zijn gewervelde dieren, die koud
bloed hebben, eijeren leggeu en door longen of som's gedeeltelijk door