Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
schijn; oen Icop, een borst, C! pooten, meer niet! Weg is
liet weer!
Een larve, zegt ge dadelijk; ja, een larve, maar van een
bizonder soort, een kluizenaar, die zijn cel nooit meer dan
ten halve verlaat, althans niet vrijwillig.
En hij heeft die beschutting wel noodig, zijn achterlijf is
zoo week, de chitinehuid is daar zoo dun, dai> een enkele
hap van een tor of een stekeltje hem zijn hachje zou kosten.
Daarom steekt hij, net als de kluizenaarskreelt — waar-
van ge zeker wel eens gehoord hebt en die ook zoo'n lastig,
week achterlijf heeft — zijn zwakke zijde in een hulsel,
dat niet zoo gemakkelijk is door te happen. De kreeft doet
dat meestal in een gestolen of een gevonden huis van een
zeeslak, een zoogenaamde kinkhoren — onze kokerjuffer is
minder diefachtig van aard: hij bouwt zijn huisje zelf.
De kalk of beter de lijm heeft hij bij zich, en met bek en
pooten, bijt en kneedt en lijmt hij net zoo lang, tot zijn
kluis naar zijn smaak is. Met een paar haken houdt hij
zich achterin vast, en om zijn achterlijf heeft hij een netje
van zilverachtige draden, Avaartusschen de noodige lucht
wordt bewaard; daartusschen eindigen luchtl)uisjes, die den
voorraad aanspreken als het noodig is.
Nu weet ik zeker, dat ge zoo'n phryganide, (dat is de
geleerde .naam voor deze interessante diertjes) wel eens uit
zijn kluisje zult zien te krijgen. Dat kan volstrekt geen
kwaad, al is het diertje er volstrekt niet op gesteld. Neem
hem apart op een schoteltje. Duw maar zachtjes met een
speldeknop tegen zijn achterlijf; wil hij niet, dan steeds wat
indringender; daar is hij er uit! Wat een onbeholpen wezen !
Wip, hij zit er al weer in, met den kop vooruit is hij in
zijn schulp gekropen. Kijk er eens in! Raar, hè? Hij zit
er toch weer goed in, de kop voor de opening.
Neemt ge zijn huisje weg, als hij er uit gedreven is, dan