Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
de slooten, ook in groote plassen en vischvijvers, ja soms
in de rivieren; zoo zelfs, dat devisschers ofkarperkv^eekers
vaak verplicht zijn er opzettelijk jacht op te maken, daar
ze de teelt van alle andere visschen onmogelijk maken,
doordien ze vischeieren en de jonge vischjes verslinden.
De stekels op den rug vallen ieder in het oog; de drie-
stekelige soort, die het veelvuldigst voorkomt, zet den rug-
vin, waarvan die scherpe naalden de stralen zijn, meestal
allen bij den aanval op, — de tien- of elfstekeligc is veel
wilder en strijdlustiger; die heeft zijn wapen bijna voortdu-
rend in gereedheid.
Behalve die geduchte stekels, heeft hij er nog een paar,
die niet dadelijk in het oog vallen; deze liggen op de plaats
waar zich bij de meeste andere visschen de buikvinnen
!)evinden, en zijn naar achteren plat tegen het lichaam
aangedrukt. Alleen in doodsgevaar zet hij ze op, en de
andere visschen schijnen die vervaarlijke priemen niet ge-
ring te schatten, die hun in den bek blijven steken, als ze
op visschenmanier hun kleinere stamgenooten in willen
slokken. De snoek zelfs blijft met zijn bek wel van het
kleine stekeltje af en de eend raakt ze ook maar zelden
aan. Aan een dood stekeltje staan die zij-pennen bijna al-
tijd opgezet, en aan zoo eentje kunt ge ook nog voelen,
dat het een goed gewapenden bek heeft; nog beter kunt ge
de aanwezigheid van de fijne tandjes bemerken door het
gehoor, wanneer ge namelijk met een speld of een griffel-
punt over do kaakranden strijkt.
Zoo gewapend, zoo gevreesd en tegelijk van zoo'n goeden
oethist voorzien, moet het vischje in de vijvers wel las-
tig en A'oor het voortbestaan der overige waterbewoners
gevaarlijk worden. Maar in de natuur Avordt het evenwicht
niet zoo licht verbroken; er is voor gezorgd dat de boomen
niet tot in de wolken doorgroeien. Heel vaak ziet ge ste»