Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
zoo lang en vervellen opnieuw, tot drie of viermaal toe.
Hun eetlust is verwonderlijk sterk; maar hoe zorgvuldig
gij ze ook van voedsel voorziet, hun aantal vermindert
voordurend; waarschijnliik vershnden de sterkeren de zwak-
ken, zoodat er op het laatst niet veel overblijven.
Die zijn dan ook krachtig ontwikkeld. Hun vorm is nu
in het water goed na te gaan; ge zult dieren te zien krijgen,
zooals ge er misschien reeds te gelijk met uw volwassen
hebt gevangen. Haast in geen enkel opzicht zijn ze met den
geranden watertor te vergelijken. (Zie fig. blz. 41).
We hebben hier met twee gedaanten van het zelfde dier
te doen, die bijna evenzeer van elkaar verschillen, als de
rups en zijn vlinder.
In vraatzucht doen de larve en de kever evenwel voor
elkaar niet onder, in moordlust evenmin. De volwassen larve
grijpt met zijn geduchte kaaktangen alles aan, wat binnen
zijn bereik komt, onverschillig of het een kil<kerlarve, een
stekelbaarsje, een salamander of een waterslak is; vooreen
jonge snoek is hij ook niet bang. Groot of klein, dood of
levend — alles is van zijn gading. Een mond heeft hij niet;
en die was ook overbodig, want hij zuigt zijn prooi met
dezelfde tangen uit, waarmede hij die grijpt en doodt.
Die zuighaken zijn hol en hebben dicht bij de scherpe
punt een opening waaruit aan weerskanten een buisje naar
binnen gaat; die buisjes zijn met het bloote oog vrij goed
te zien, ze vereenigen zich nog in de kop van de larve en
vormen samen een wijdere buis, die door het geheele lichaam
heen zichtbaar is.
In hun geliefkoosde houding, met den kop naar beneden,
het lichaam naar voren gekromd, de zes onevenredig lange
pooten wijd uitgespreid, hangen ze met het achterlijf aan
de oppervlakte. Daar zijn twee pijpjes, luchtbuizen door
haren omgeven, te onderscheiden. Zoo hangen ze als dood,