Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
iloor bewegingen van de leden van den spriet naar het
eindpunt daarvan wordt gevoerd. Dat eindpunt nu brengt
de kever onder den rand van het borstschild, waar de
grootste ademshalingsopeningen liggen en vult zoo de
luchtbuizen in zijn lichaam, of hij brengt een voorraad
lucht naar den onderkant van zijn lichaam, waar een flinke
lioeveelheid tusschen de lange, zijdeachtige haren geborgen
kan worden.
Die lucht is het,
die den buik van
den kever onder
water verzilvert.
Aan geen der elf
geledingen van
den spriet van
een gerande wa-
tertor merkt ge
iets dergelijks op;
ze worden naar
het eind toe iets
korter; het laat-
ste lid is weer
wat verlengd en
knopvormig.
AVaarom nu de pikzwarte op zoo'n ingewikkelde wijze zijn
levenslucht moet binnenhalen, heel anders dan de gerande?
Zeer waarschijnlijk staat dat met de ligging der luchtbuisope-
ningen in verband. Bij den gerande liggen de grootste en de
meest(! op den rug onder de dekschilden, bij den pikzwarte,
zooals gezegd is, aan de onderzijde bij het borstschild. Hoe
dit ook zij, ge kunt er zeker van zijn, dat ook hier de levens-
wijze uitstekend past bij de inrichting van het lichaam.
Me dunkt, ge zult nu al wel iets meer in onze kevers
Sprieten van den spinnende waterkever:
rechts in stand van ademhaling.